Boekgegevens
Titel: Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Auteur: Greidanus, Tjardus
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1900
3e, verm. en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2943
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200694
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
182
We deelen 46725 op 35463 5. Het eerste cijfer van het quotient
is 7; de eerste aftrekker dus 7x46725 = 327075, de eerste rest
27560 tienduizendsten. Het tweede cijfer van het quotient is 5.
Daar dit cijfer de tiendedeelen van het (quotient aanwijst, zouden we
den tweeden aftrekker tot in honderdduizendsten verkrijgen. We
verlangen den tweeden aftrekker echter ook in tienduizendsten en
schrappen daarom het cijfer 5 van den deeler. Nu vermenigvuldigen
we 4 6 7 2 met 5 en brengen daarbij het geschrapte cijfer 5 aldus in
rekening: 5x5 is 25, waarvoor we 30 nemen en nu wordt 5X2 = 10
met 3 vermeerderd, gevende 13. Om den derden aftrekker evenals
de tweede rest in tienduizendsten te verkrijgen, schrappen we nog
het cijfer 2 van den deeler en deelen nu 4 6 7 op de tweede rest
4 19 7, gevende als derde cijfer van het quotient een 8. Bij de ver-
menigvuldiging van 4 6 7 met 8 wordt het geschrapte cijfer 2 als
vroeger in rekening gebracht. Ter bepaling van den vierden aftrekker,
schrappen we nog het cijfer 7 van den deeler en deelen daarna 4 6
op 4 5 9, gevende het cijfer 9 van het quotient. We brengen het
geschrapte cijfer 7 in rekening en vinden dan voor den vierden
aftrekker 4 2 0, gevende een rest van 39. Nu staken we de bewerking,
want de deeling van 4 op 39 zou geen betrouwbaar cijfer in 't quotient
opleveren, omdat het getal 39 niet betrouwbaar is. Van elk der
aftrekkers en dus ook van elk der resten nl. is het laatste cijfer
onbetrouwbaar, waaruit volgt, dat de rest 39 evengoed te groot als
te klein kan zijn,
Is het eerste cijfer van den deeler een hoog cijfer, bijv. een 7, een
8 of een 9, dan kan men soms nog een cijfer van het quotient
bepalen. In den regel zal men, om het laatste cijfer van het quotient
met voldoende nauwkeurigheid te bepalen, de twee eerste cijfers van
den deeler (als geheel getal beschouwd) op de laatste rest deelen,
zoodat men na de eerste deeling nog zooveel cijfers van het quotient
kan bepalen, als de deeler meer dan twee cijfers heeft.
Het quotient zal dus in H algemeen éen cijfer minder hebben dan
de deeler.
Beval de deeler meer cijfers dan het deeltal, dan zal men van
beide getallen evenveel cijfers nemen of evenals boven van het deeltal
éen cijfer meer. Moet bijv. het quotient bepaald worden van de
getallen 9,4 3 2 ... en 7 2 4,8 3 4 6 5 ..., dan vindt men als eerste cijfer
van het quotient 1 honderdste. Gebruikte men nu alle cijfers van
den deeler, dan zou men den eersten aftrekker tot in tienmillioensten
verkrijgen, terwijl het deeltal slechts in duizendsten gegeven is. Daar
de fout van het deeltal overwegend is, zal men dlis den eersten