Boekgegevens
Titel: Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Auteur: Greidanus, Tjardus
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1900
3e, verm. en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2943
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200694
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
hot tienduizendtal, en honderd duizendtallen als éen honderdduizendtal
kunnen aanzien. Men zou deze dan eenheden van de vijfde en zesde
orde moeten noemen. Het millioental werd dan een eenheid van de
zevende orde, en voortgaande het tienmillioental een eenheid van de
achtste orde, enz-
Volgens dit beginsel bestaat het getal zeven en zestig millioen
acht honderd vier en vijftig duizend drie honderd negen en twintig,
67 854 329 uit:
9 eenheden,
2 „ van de tweede orde of tientallen,
3 „ „ ,, derde „ „ honderdtallen,
4 „ „ „ vierde „ „ duizendtallen,
5 „ „ „ vijfde „ „ tienduizendtallen,
8 „ „ zesde „ „ honderdduizendtallen,
7 „ „ „ zevende „ „ millioentallen en
6 „ „ „ achtste „ „ tienmillioentallen.
9. Uit het voorgaande blijkt ons, dat in een getal elk cijfer, links
van een ander geplaatst, eenheden van éen orde hooger voorstelt.
Men kent daarom aan de cijfers behalve hun eigenlijke waarde nog
een betrekkelijke waarde toe, die aangewezen wordt door de plaats,
welke het cijfer in een getal inneemt. De eigenlijke waarde, die het
cijfer voorstelt, noemt men in tegenoverstelling zijn volstrekte waarde.
Zoo is in 't getal 5376 de volstrekte waarde van het derde cijfer 3
en de betrekkelijke waarde 300,
10. Daar telkens 10 eenheden van zekere orde éen eenheid van
een hoogere orde opleveren, noemt men het boven ontwikkelde stelsel
van tellen het tientallige stelsel. De eenheden der verschillende orden
noemt men de termen der schaal, en samen vormen deze de schaal
van het stelsel; — het geraamte als het ware, waar binnen de andere
hoeveelheden een plaats erlangen.
Ieder getal is dus samengesteld uit deelen, die eenheden van ver-
schillende orden aanwijzen en wel hoogstens ten getale van negen.
Men kan een getal alzoo beschouwen als te bestaan uit deelen, die
ieder hoogstens 9 eenheden van een zekere orde bevatten.
11. Het teeken O heeft ons gediend om de onderscheidene soorten
van eenheden aan te wijzen. Komt het tusschen andere cijfers van
een getal te staan, dan wijst het aan, dat in dat getal zekere eenheden
niet aanwezig zijn. Zoo bijv. in 4007 heeft men 4 duizendtallen, geen
honderdtallen, geen tientallen en 7 eenheden. Op zich zelf genomen
is O niets. Gewoonlijk rekent men O ook onder de cijfers.