Boekgegevens
Titel: Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Auteur: Greidanus, Tjardus
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1900
3e, verm. en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2943
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200694
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
HOOFDSTUK I.
DE NAMEN DER HOEVEELHEDEN EN DE WIJZE VAN
VOORSTELLEN.
7. De naam voor de eenheid is een.
Voegt men bij een eenheid een andere gelijke eenheid, dan krijgt
men de kleinste hoeveelheid, die den naam twee draagt. Voegt men
bij deze hoeveelheid weer een gelijke eenheid, dan krijgt men de
hoeveelheid drie genaamd. Gaat men hiermee voort, door telkens eene
nieuwe gelijke eenheid bij de reeds verkregen hoeveelheid te voegen,
dan krijgt men de hoeveelheden in haar natuurlijke volgorde, en het
opnoemen dezer hoeveelheden noemt men tellen, en levert de rij der
natuurlijke getallen op.
Men telt dan achtereenvolgens: een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven,
acht, negen. Om deze getallen aan te wijzen, heeft men voor elk een
teeken aangenomen, cijfer geheeten; ze zijn achtereenvolgens:
1, 2, '3, 4, 5, 6, 7, 8, 9.
De hoeveelheid, die op 9 volgt, heet tim, en deze hoeveelheid neemt
men als een nieuwe eenheid, als eenheid van de tweede orde aan, en
noemt men als zoodanig timtal. Men zou deze eenheid nu ook weer
moeten schrijven 1; om echter aan te wijzen, dat men met een
eenheid van de tweede orde te doen heeft, plaatst men achter deze
1 het teeken O, nul genoemd; aldus: 10 = 1 tiental = tien.
Men telt nu met deze eenheden evenzoo als men met de vorige
eenheden geteld heeft: 1 tiental, 2 tientallen, 3 tientallen, enz. ... 9
tientallen, en stelt ze voor door achter elk der cijfers de O te plaatsen.
Het spraakgebruik heeft aan deze hoeveelheden eenige andere namen
gegeven, n.1.:
10 tien 60 zestig,
20 twintig, 70 zeventig,
30 dertig, 80 tachtig,
40 veertig, 90 negentig,
50 vijftig.
Wij hebben nu echter bij tientallen, bij tienen geteld, en moeten
dus nog namen geven aan de tusschen elke twee tientallen inliggende
hoeveelheden. Men verkrijgt deze, door telkens een der eerste getallen
te vereenigen met een der tientallen, bijv.: 3 tientallen en 1, 8 tient.
en 2, 3 tient. en 3, 3 tient. en 4, enz. of wel: dertig en 1, dertig en
2, dertig en 3, dertig en 4, enz. Men is echter gewoon deze bijge-
1*