Boekgegevens
Titel: Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Auteur: Greidanus, Tjardus
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1900
3e, verm. en verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2943
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200694
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theorie der rekenkunde ten behoeve van inrichtingen van middelbaar en van kweekscholen voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
deel van 1 percent bedraagt, per duizend bepaald wordt. Deze ver-
goeding heet premie, en zoo beteekent dan de uitdrukking: de premie
van brandassurantie is 1 of "/lo P- i"- (per mille), dat men voor elke
1000 eenheden, waarover de verzekering loopt, jaarlijks 1 of een-
heid als premie betaalt. Men schrijft ook 1 °/oo "'lo °'oo-
In het dagelijksch leven, bij veilingen en in de administratie ge-
bruikt men in plaats van het woord percent, veelal opcenten. Zoo
beteekent de uitdrukking: er zijn 26 opcenten op de belasting, dat
men van eiken gulden, dien de belasting bedraagt, nog bovendien
26 cent moet betalen.
Eerste voorbeeld. Hoeveel bedraagt de premie van brandassu-
rantie over ƒ 5600 k 90 ct. p. m.?
1 p. m. van ƒ 5600 is ƒ 5,60,
9/
no ),
„ - 5600 „ 0,9 X ƒ 5,60=/ 5,04.
Tweede voorbeeld. Hoeveel successie moet iemand betalen, die
ƒ 17640 erft, wanneer het successierecht 4 »/„ is met 38 opcenten?
Dat het successierecht 4®/„ is met 38 opcenten, beteekent, dat men
van elke ƒ 100 aan belasting betaalt ƒ 4 plus van elk dezer 4 gul-
dens 38 centen; de belasting bedraagt dus eigenlijk per 100 gulden
ƒ 4 -I- 4 X 38 ct. = ƒ 5,52, derhalve 5,52 "/„.
Wij hebben alzoo:
ƒ 17640.—
5 »/„.......ƒ 882.—
0,5 „.......- 88,20
0,02 „ . . . - 3,53
5,52 x/o.......f 97a,73.
201. De intrest, zagen wij, hangt van 3 grootheden af: het kapitaal,
het percent en den tijd. Men kan nu steeds, als de intrest zelf met
twee dezer grootheden bekend is, de derde vinden, en dit geeft dus
aanleiding tot verschillende vraagstukken. We zullen van elk een
voorbeeld nemen.
Eerste vraagstuk. Welk kapitaal moet men gedurende 16'/2
maand a 4 °/'„ op intrest zetten, om ƒ 964,70 intrest te genieten?
De oplossing is als volgt, waarbij men telkens elke der grootheden
op de eenheid terugbrengt:
In 16'/j maand bedraagt de intrest ƒ 964,70,
964,70
1 ïï ï) )) Ï:
12 „ „ „ „
16'/, '
X96
16'/,