Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
lange lijnen der dammen, alleen de daarop gelegene steden
en dorpen verheffen zich met hunne minarets en groene
palmengroepen boven de troebele watervlakte. Wat men
ziet, is geen stroom, geen meer, maar eene zee, waaruit
honderde kleine eilanden oprijzen. Na weinig weken
duiken enkele hooggelegen punten weder uit het water
op, en weldra strooit de fellah het zaad over den door-
weekten bodem uit, waarin het dadelijk wegzinkt.
Hiermede heeft hij voor den hoofdoogst zijn' arbeid ver-
richt. Niet eens voren behoeft hij te ploegen; 't kan
alleen zijn, dat hij er eene kudde geiten over heen drijft,
om de korrels dieper in te trappen. Al het overige aan
de zon en den Nijl overlatende, komt hij eerst terug,
als de halmen zich onder den last van het graan buigen,
om ze dan af te maaien, maar ook tegelijk tot eene
tweede uitzaaiing over te gaan. In dezen tijd ontwikkelt
de natuur van Egypte eene pracht, die alles overtreft,
wat men in Europa's vruchtbaarste streken bewondert.
Het geheele Nijldal is eene prairie vol aren en bloesems,
de lucht is met de bedwelmende geuren van oranjes en
mimosa's, van jonquilles, lupinen en zoete klaversoor-
ten bezwangerd, en over dit gezegend aardrijk spant zich
met onbeschrijfelijke helderheid het blauwe firmament
uit, waaraan bij nacht de zilveren sterren tintelen. In-
tusschen valt de al deze wonderen scheppende Nijl nu
weer van week tot week. Alleen uit zijne gegraven re-
genputten leidt thans de Egyptenaar het water van de
eene voor des akkers naar de andere. Ingeval hij gegoed
is, neemt hij den kameel of den stier te hulp en bouwt
zich een op- en neergaand werk met leemen kruiken,
die zich zelve vullen en ledigen. Zulke schepwerken en
cisternen of regenbakken heeft Egypte bij honderdduizen-
den, en zij zijn zeker reeds in de grijze oudheid in ge-
bruik geweest, daar er in den bijbel (Deuter. 11: 10)
duidelijk op wordt gezinspeeld.
En vreemd, zelfs eene zoo eenvoudige, schrale bewa-
tering is heden nog als vroeger voldoende, om aan den
bodem eene zoo hooge vruchtbaarheid te verleenen. In
deze korenschuur der wereld is werkelijk bijna geen maand