Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
schildpadden, die aan dit strand eene gunstige broedplaats
vinden, waarvan het bezit haar nochtans op allerlei manier
betwist wordt. Gedurende den rijtijd vinden hier de
vreemdste kampstrijden plaats, welke het dierenrijk maar
ergens heeft aan te wijzen. Bij honderden komen iederen
nacht de schildpadden van ver uit den Indischen Oceaan
aanzwemmen. Plomp en onbehouwen wentelen zij zich
op het land en kruipen tot de hoogte van den bergzoom
op. Hier wroeten zij kuilen, waarin zij hare eieren
leggen, welke zij met zorg toedekken, om dan weer terug
te keeren in haar golvend element. Maar niet allen be-
reiken dit. Talrijke troepen wilde honden komen uit
het bosch naar het strand en werpen zich op de sterkere,
doch weerlooze schaaldieren. Nu begint het allerzonder-
lingste gevecht. De schildpadden haasten zich met in-
spanning van alle krachten naar het water, terwijl de
honden alles doen, om haar dit onmogelijk en haar vol-
slagen hulpeloos te maken door de logge zeedieren op
den rug te wentelen. En in de meeste gevallen wint
het de vereende kracht. Schoon de honden bij voorkeur
de kleinere en middelmatig groote schildpadden uitkippen,
zoo wagen zij zich toch ook aan de reusachtige dieren,
waaronder men monsters van acht, ja tot tien cente-
naars zwaarte moet hebben. Deze worden dan door een
talrijken troep honden en wel van éene zijde aangepakt.
De hongerige viervoeters slaan hunne tanden in den kop,
in de halsplooien, in het achterdeel van het amphibium.
Anderen schuiven de spitse snuiten onder schild en buik
van het reuzendier, en als zij dan met vereende kracht
oplichten, duwen, dringen, trekken, gelukt het hun niet
zelden, 't ongelukkig schepsel om te wentelen, in welk
-geval het verloren is. Met wild gebrul en razende vra-
tigheid rukken de roovers het dan het vleesch uit het
pantser, dat zij in zware, met groen geleiachtig vet be-
kleede lappen en flarden wegslepen. Wat de wilde
honden overlaten, daarop azen gieren en andere roof-
vogels. Niet altijd echter blijven de zoogdieren de baas.
Hebben zij verzuimd, de reuzenschildpad zoo ver mogelijk
yan het water aan te vallen, en gelukt het deze.