Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
Een ander feest is nog eigenaardiger. Op een bepaal-
den dag des jaars begeeft zich de vrouwenwereld van
heinde en ver naar den Ganges, om daarop kleine, uit
hout gesneden schuitjes te laten drijven, waarin men een
lichtje plaatst. Zij houden ieder haar schuitje, dat door
de golven wordt medegevoerd, met angstige spanning in
het oog. Wanneer het lichtje zoo lang zichtbaar blijft,
als de oogen het kunnen volgen, zal de heimelijke hoop,
die daaraan wordt vastgeknoopt, vervuld worden; doch
gaat het vroeger uit, dan wordt de gekoesterde verwachting
verijdeld geacht. De talrijke witte gestalten der vrouwen
en meisjes, die zich in de avondschemering heen en weder
langs de oevers bewegen, en de tallooze, op de breede
watervlakte omdobberende lichtjes maken dan eene wezen-
lijk tooverachtige vertooning.
46. DE SCHILDPADDEN OP DE ZUIDKUST VAN JAVA.
Langs de zuidkust van Java vindt men aan den zQom
van het dichte woud hier en daar eenige eenzame
hutten liggen, waar Maleiers wonen, die zich hoofdzakelijk
met het zoeken van schilpaddeneieren en met de schildpad-
denvangst bezig houden. Een reiziger, die zich eenige
dagen bij zulke lieden ophield, vertelt ons het volgende:
»Het strand boeide al spoedig mijn oog. Over het
fijn zand gingen wij (hij had twee Maleiers: Sajib en
Ali, tot geleiders) als op een tapijt. Het maakte de ver-
tooning van een slagveld. Overal staken er geraamten
uit op, hier bleek, verweerd en half begraven, daar
versch en bloedig of met walgelijke lappen vleesch be-
hangen. Met strakke oogen zaten óverzatte, trage gieren
daarop en sloegen, zoodra wij naderden, met moeite de
staalblauwe vlerken uit. Meermalen galoppeerde ook een
goudwolf van het aas landwaarts, en witte arenden zweef-
den heesch krijschend boven de schouwplaats van ver-
woesting, Hoe verder wij ons van zee verwijderden,
des te talrijker werden de. karkassen: de overblijfsels van