Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
geworden is, wat zou eindelijk Kanton zelf niet bittere
klachten aanheffen !
Wel groeit de thee als een vier tot acht voet hooge struik
in vele streken van China in het wild; doch bij hare
onontbeerlijkheid kweekt men haar toch liever opzettelijk
op gronden, welke men daartoe vooraf zorgvuldig bemest.
Uit dezen struik met zijne kort gesteelde, altijd groene,
langwerpig ronde, gespitste bladeren heeft de cultuur
drie voorname speelsoorten gekweekt, van wier bladeren
al onze thee komt. Het zijn de groene, de bruine en
de rechte takken uitschietende theestruik. •— Daar staat nu
de gestaarte Chinees of de ernstige Japannees en besnoeit
en begiet zijne kweekelingen, welke hij niet, gelijk de
wilde theestruiken dat doen, 18 tot 20 voet hoog wil
laten opschieten. Gelijk reeds de bladeren aan kersebladeren
doen denken, zoo hebben de sneeuwwitte, bij tweeën
van tusschen de bladeren uitkijkende bloesems met hunne
vele meeldraden nog meer overeenkomst met kersebloesems.
De vrucht bevat in een lederachtig omkleedsel het zaad,
waaruit men de planten teelt, die in rijen verpoot worden.
De eerste loten en spruiten knijpt men af, zoodat de
plant zich meer bestokt, waarop men opnieuw mest
aanbrengt en dan van het tweede tot het zevende jaar
jaarlijks tot twee- of driemaal de bladeren kan plukken,
welk laatste werk meestal door vrouwen verricht wordt.
Na zeven jaren worden de oude takken afgekapt, omdat
slechts jonge takken fijne, geurige bladeren geven. In
Maart, in April en in Juni worden de bladeren geplukt,
wat zeer snel moet geschieden, zoodat dan de geheele
bevolking der dorpen aan de inzameling deel neemt.
In de drie voet hooge droogovens worden de theebladen
alsdan op ijzeren platen geroosterd. Om de bladen goed
te doen zweeten, werpt men die gedurig om en schudt
ze vervolgens op de roltafels, waar men ieder blad in het
bijzonder met de hand rolt. Zoo droogt en kneedt men
de bladen, tot alle water en olie daaruit verdwenen is
en de groene thee verpakt kan worden. Zwart
daarentegen wordt de thee, als men de bladen op zeven
van draadwerk boven kokend water houdt, ze alsdan op
i Overal heen! Zde druk. 6