Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
Kirgies zeker staan voor een stuk — paardevleesch.
Aan paardenslachterijen, zooals in den laatsten tijd bij ons
in Europa, waar alleen oude, afgebeulde voermansknollen
hun taai leven laten ^ moet men hier nogtans niet denken.
De voorraad moess (paardevleesch) is in den aoul ge-
heel opgeteerd en de spijskamer dient dus weer van dat
onmisbaar artikel voorzien te worden. De edele sultan
neemt zijne strijdbijl van den Avand, treedt buiten en laat
op zijn gekromden wijsvinger een schel fluiten hooren.
Terstond komen uit alle hutten Kirgiezen met geweren
en bijlen voor den dag; — heeft eene vijandelijke horde
misschien gewaagd, hen op klaarhchten dag te over-
vallen? Neen; hun sultan staat bedaard en rustig voor
zijne huisdeur. »Kirgiezenroept hij, »ik verneem
daar zoo eerst, dat er geen moess meer is, We willen
dadelijk weer wat voorraad opdoen." Deze korte rede
wordt luid toegejuicht. Binnen tien minuten zitten allen
in den zadel en jagen in vliegenden galop over de wijde
steppe.
Het oog van den Kirgies is scherp, als dat van een
valk. Op mijlen verren afstand ontdekt hij eenige don-
kere stippen op de steppe; dat is eene kudde wilde
paarden. Terstond ontwerpt de sultan zijn plan. Een
kleine troep ruiters verlaat het hoofdkorps en verdwijnt
in eene naburige bergkloof. De anderen vormen eene
lange linie. Zoo beschrijven zij eenen wijden boog, om
de weidende moess af te snijden, doch zeer voorzichtig,
opdat de wind niet van hen tot de wilde paarden zou
gaan. De moess hebben een zeer fijnen neus; zij zouden
bij gunstigen wind reeds op mijlen verren afstand lucht
van den vijand krijgen. Nader en nader komt de linie
der Kirgiezen. Nu merkt de kudde, dat gevaar dreigt.
Hoog rekken de sierlijke koppen zich op de slanke halzen —
trillend verwijden zich de neusgaten en zuigen fluitend
de lucht in — de korte ooren richten zich spits over-
eind — als de wind stuift de gansche kudde voort —
de vervolgers in vliegende vlucht achterna. Enger en
enger trekt de booglijn der ruiters zich samen — slechte
éen uitweg blijft den beangsten dieren der wildernis ■