Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
nacht heeft de natuur geen draperie van noode en verlangt
geen tooi of siersel. De glazen zee, de slanke klip, de
hooge berg, de majestueuze gletschers vermengen zich
niet met elkander; alles staat daar alleen en op zich zelf,
slechts met eenzaamheid bekleed. De arctische winter-
nacht heeft de aarde in een lijkkleed gehuld en zijn
dichten sluier over het gelaat der schepping geworpen. —
En hoe is nu het einde van dien langen winternacht
in het hooge Noorden?
Van het midden der maand Januari wordt de middag-
schemering merkbaarder en het morgenrood, dat den
terugkeer der zon aankondigt, neemt toe.
Op den 16 Februari eindelijk verschijnt aan den hori-
zont een lichtend punt, een deel van de zonneschijf, en
straalt "een oogenblik, om dadelijk weer te verdwijnen.
Met iederen middag vertoont zich dat deel grooter, tot
eindelijk de volle zon uit zee opduikt, waarmee de lange,
bange nacht zijn einde bereikt heeft. Nu wisselen dag
en nacht elkaar twee maanden lang af, tot op den 21
April een maanden lange dag begint, gedurende welken
de zon zich om den horizont beweegt, zonder ooit daar
onder te verdwijnen.
2. HET NOORDERLICHT.
Een der verhevenste verschijnselen in die hooge pool-
streken is het noorderlicht, dat gewoonlijk in de gedaante
van een vurigen gordel, die met de beide einden naar
den horizont afdaalt, den ganschen hemel met zijne kleu-
rige stralen verlicht. Zelfs de heldere glans der maan
heeft geen kracht, om dit levendig schijnsel te overstra-
len. Een knetteren, alsof men zijden stoffen tegen elkan-
der wreef, gaat de verschijning ervan voor. Met een
zacht geruisch verbreidt het zich over de geheele hemel-
ruimte en vereenigt zijne stralen in het zenith tot een
kroon. Somwijlen vertoont het zich ook in de gedaante