Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
dichte nevels beginnen op te stijgen, maar hangen nog
golvend boven het hoofd der trekkenden. De zon gaat
op en vertoont zich als een vurige kogel, die op het
aardrijk neer wil rollen. Nu weerspiegelen zich duizende
regenbogen op de sneeuw, op de met ijs bezette moeras-
grassen en op de takken van het lage struikgewas. Alles
flikkert, tintelt en glinstert — een prachtvol verschijnsel,
dat echter slechts korte oogenblikken duurt.
De zon daalt en met haar zinkt het gansche bonte
tooverpaleis weg. Opnieuw strekt zich in onafzienbare
verte het witte sneeuwdek uit; opnieuw staan rondom
de geraamten der met ijzel bedekte struiken. Geen geluid
laat zich hooren; men is als in het rijk des doods.
Eindelijk is volgens de kenteekens de plaats van het
nachtleger in de nabijheid. De drijvers sporen hunne
paarden aan, en weldra is men ter stee, waar men over-
nachten moet. Zwart berookte, half verkoolde boomstam-
men steken uit de sneeuw op en wijzen de stookplaats
aan. De ruiters stijgen af. De Jakoeten laten hunne
paarden los en drijven die naar de plekken, waar zij het
schrale mos met de hoeven van onder de sneeuw kunnen
opwroeten. Weer anderen slepen rijs en prikken aan.
Na lang getob vlamt eindelijk een klein vuur op. De
kooplieden legeren zich daarom en zien verlangend naar
thee en avondeten uit. Het duurt lang, voordat de sneeuw
gesmolten, het bevroren brood ontdooid en het eten
gekookt is, dat men zonder den ketel van het vuur te
nemen en zijne handschoenen uit te trekken oplepelen
moet. Als men zich tot slapen nederlegt, moet men zich
echter tot op het hemd uitkleeden en zich in andere
droge pelzen pakken, om de van de uitdampingen door-
natte kleederen weer te kunnen drogen. Men kan zich
voorstellen, hoe prettig zulk eene verschoonpartij en zulk
een nachtleger in zoo'n feilen wind en koude zijn. Vaak
komt gedurende den nacht een stormwind op en overdekt
reizigers en paarden met sneeuw. Dan gebeurt het soms,
dat men twee of meer dagen op de plaats blijven moet,
om mensch en dier eenige vemdeming te gunnen. Tegen
den morgen begint anders de reis weder bij het schijnsel