Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
zijn klein en mager; zij schijnen uit louter adem saam-
gesteld, want zij loopen met ongeloofelij ke vlugheid en
volharding, zonder ijzers, vaak zonder gebit , zonder
ander tuig, dan een eenvoudigen strik, die losjes om
hunne borst is gewonden.
De paardenkudden, die de steppen bevolken, leven
uitsluitend in de vrije lucht; »ij worden gehoed door
den tschikos, d. i. den koensten ruiter. Deze dieren
blijven verscheiden jaren in hun halfwilden staat tót op
den dag, dat men tot de temming overgaat. " Op een
goeden morgen zoekt de tschikos zich een paard uit,
dat hem bevalt. Het vriendelijk toesprekend, nadert hij
het meer en meer, de eene hand uitstekend, als om het
te liefkozen. Het dier ziet den mensch van terzijde
aan, alsof het gevaar voor zijne vrijheid duchtte; het
spalkt zijne neusgaten en zet de manen op, zoodra het
de hand aan zijn' nek voelt; het staat op den sprong,
om de vlucht te nemen; maar de tschikos heeft zijne
muts in de oogen gedrukt, de tanden op elkaar geklemd
en zit reeds op den rug van het paard, voordat het zich
nog in beweging heeft gesteld. Nu begint tusschen ros
en ruiter eene geduchte worsteling. Verrast en ontsteld
doet het eerste wanhopige pogingen, om den ongewonen
last af te schudden; het steigert, springt voor, achteren
ter zijden uit . . . alles vruchteloos. De tschikos zit
onwrikbaar vast in de geduldige afwachting, dat het
dier eindelijk goedvinden zal, aan zijne tegensparteling
een einde te maken. Het werpt zich eindelijk op den
grond; doch op 't oogenblik, dat het zich bukt, trekt
de ruiter zijne beenen omhoog, houdt daarbij onveran-
derlijk zijn evenwicht, en als het paard weder opspringt,
draagt het den man nog altijd als op zijn' rug vastge-
klonken. Nu schiet het als een pijl vooruit; het wil
den ondragelijken last ontvlieden; het spant zijne laatste
krachten in, om te ontkomen. Dit had de tschikos juist
verwacht. Hij ziet naar de zon, neemt hoogte van de
richting, waarin zijn renner over de naakte steppe voort-
holt, en laat hem loopen. Is het ros uitgeput, dan valt
het neder. Nu legt de ruiter het een gebit aan, laat
Overal heenl %de druk. 4