Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
4
groot. Deze en de Tele meren speelden van ouds eene
groote rol in de geschiedenis van Liefland; bij gebrek
aan bergen dienden zij als versterkingsmiddelen tot verde-
diging des lands; dorpen en steden werden dikwijls op
een eiland midden in het meer aangelegd, en de adelijken
bouwden bij verkiezing hunne burchten en sloten aan den
zoom van het water.
Er zijn hier nog bosschen, zoo dicht en zoo wild, dat
geens menschen voet daar ooit diep in doordrong, en
waarin heden nog de vliegende eekhoren en de bruine
los voorkomen. In deze wouden, die vaak verscheiden
vierk. mijlen oppervlakte bedekken, staan de hemel-
hooge dennen en sparren eeuwen lang en vallen, door
den wind ontworteld of door den bliksem getroffen, over
elkander. Hier en daar, als zware stormen woedden,
liggen jonge en oude, frissche en vermolmde stammen
zoo hoog opgestapeld, dat zelfs wolven en vossen moeite
hebben, over dien dam heen te komen. Geen mensch
stoort zich daaraan, en waar de stammen den weg ver-
sperren, worden zij op zijn hoogst doorgehouwen en op
zijde geworpen, om plaats te maken. Uren ver geen
spoor van menschenhand, geen rijweg of voetpad, niet
uit de verste verte het blaffen van een' hond; alles
in het bezit der wilde dieren, der wolven, beren en
vossen.
Hier en daar opent zich het dichte, donkere woud;
doch dan vertoonen zich slechts groene weideplekken,
waarop de schuwe eland graast, of moerassige vlakten,
op welke zelfs de lichte vos zich niet waagt. In het
schemerdonker der dennetakken roept de auerhaan en
nestelt de zwarte arend. Eekhorens en lossen slingeren
zich, de vogels vervolgend of op eene beneden weidende
ree loerend, van boom tol boom. De beer heeft onder
deze struiken en boomen meer woningen dan de mensch,
en slechts zelden laat zich hier en daar, waar het woud
aan het open veld grenst, de armoedige hut van een
Lettischen of Esthnischen boschwachter zien.
In den zomer , bij buitengewone droogte , geraken de
struiken ook wel in brand, en in heete jaren zijn de