Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
dekruid te weeg brengt bij een langen marsch door de
»heide".
In den vroegen morgen breekt de wandelaar op. De
eerste zonnestralen vergulden de spitsen der pas een voet
hooge struikjes. De fijne spinnewebben daartusschen
glinsteren in alle kleuren van den regenboog en de hei-
deleeuwrik laat zijn vroolijk lied hooren. De reizende
treedt welgemoed op het zandig voetpad voort en ver-
lustigt zich in al het hem omringend schoon.
Hij wandelt uren op uren. Rondom blijft het land-
schap hetzelfde: altijd dezelfde beperkte horizont, de
kleine kring, waaruit hij maar niet schijnt tè kunnen
komen. Altijd dezelfde millioenen bloeiende heideplantjes,
waarvan 't een er volmaakt zoo uitziet als 't ander. —
De zon klimt hooger; nergens is een handbreed schaduw
te vinden. Het wordt middag. De zonnestralen worden
verblindend door het witte zand teruggekaatst. De honig-
reuk der heide wordt sterker en sterker. Wat men ziet
blijft altijd hetzelfde. Zoo gaat het den geheelen dag
door tot den avond , tot de dalende zon de gansche
vlakte nog eens met donker purper overstroomt. Eene
wandeling door de heide vermoeit in hoogen graad. De
mensch heeft behoefte aan afwisseling. De fraaiste vorm
kan pijnigend worden, als hij telkens en telkens weer
zich uitsluitend voordoet.
De heide is rijk aan bloemen en honig, en de kleiboer
brengt er gaarne zijne bijen heen, om haar rijke voeding
te verschaffen. Aan andere voedende stoffen daarentegen
is zij even arm als het gulle zand, waaruit zij ontspruit.
Het dierenleven, dat zich aan haar hecht, is gering;
den mensch biedt zij weinig aan. De heideschapen van
Drente en van de Luneburger heide maken bij hunne
voorbeeldelooze soberheid eene uitzondering. De mensche-
lijke bewoners der heide, door haren bodem stiefmoeder-
lijk gevoed , kunnen vaak slechts met moeite een schraal
bestaan vinden. Al kan de afgesneden heide tot boenders
en bezems, al kunnen de heideplaggen of ook wel de
korte heide zelve tot brandstof op den haard of tot
onderstrooiing in den veestal dienen, zoo is het tot hiertoe