Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
iets, dat zij alleen op Zondag eens te proeven krijgen;
doch dit schaadt minder, omdat het bier, vooral zooals
men dat in Beieren brouwt, ook voedingskracht bezit.
In de groote hof brouwerij, waar het bier ook tot dadelijk
gebruik getapt wordt, bestaat geen onderscheid van standen.
De burger zit er naast den officier, de ambtenaar naast den
ambachtsman, de professor naast den barbier, de kamer-
heer met . gouden knoopen aan zijn rok naast heeren, die
geen enkelen knoop meer aan hun jasje ot buisje hebben.
De bezoekers zijn steeds zoo talrijk, dat aan bediening
niet te denken is. Ieder moet maar een der ledige glazen
of kannen, die onder zijn bereik komen, trachten te
pakken en dat, tegen vooruitbetaling, aan de tapkast
laten vullen.
29. DE NOORDDUITSCHE HEIDESTREKEN.
Van de monding der Schelde tot de westelijke helling
van den Oeral, de grens tusschen Europa en Azië, heeft
zich de erica of het heidekruid uitgebreid. Het bekleedt
hier uren lange vlakten met zandigen bodem, die den
naam van »heiden" dragen, 't Loopt echter ook over
het heuvelland en strekt tot dek van geheele bergreeksen.
Van de Nederlandsche grenzen over Noord-Duitschland
vormt het eene tamelijk samenhangende vlakte van om de
40 vierk. mijlen, en men heeft berekend, dat het in
geheel Europa eene ruimte van om de 500 vierk.
mijlen bijna uitsluitend beheerscht.
Het gewone heidekruid, reeds op zich zelf beschouwd
ëen bevallig bloempje, behaagt door zijne sierlijke vormen
ieder, die het voor de eerste maal ziet. Zijne kleine
blaadjes staan regelmatig aan de fijne takken; de talrijke
lichtroode bloesems vormen aardige trossen en verdienen
wel, dat men met mes en naald een ervan ontleedt en
de keurig gebouwde binnenste deelen met behulp van
een vergrootglas beschouwt.
Geheel anders wordt echter de indruk, dien het hei-