Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
25. DE GLETSCHERS IN TYROL.
De sneeuwgrens bereikt in Noord-Tyrol eene hoogte
van 8200 voet. Beneden deze eeuwige sneeuwlijn heb-
ben zich de »ferner" of gletschers vastgezet: bergen van
eeuwig ijs en van de eeuwige sneeuw der hooggebergten
wel te onderscheiden. Men vindt ze nooit op de hoogste
gebergten en zij zijn in 't wassen en afnemen hunner
ijsmassen aan eigenaai'dige wetten onderworpen. Hun
toenemen is in den regel in dezelfde mate sneller, als
zij dieper neerdalen. In hun binnenste midden ontstaat
het ijs, en de uitzetting daarvan tilt den geheelen glet-
scherklomp naar boven en schuift dien naar alle rich-
tingen uiteen. Zoolang de gletscher wast, laat hij wei-
nig of geen water uitstroomen; doch zoodra hij stilstaat,
komt ook dadelijk de gletscherbeek te voorschijn en begint
het ijsgevaarte af te nemen. Door de uitzetting in het
binnenste ontstaan op zijne oppervlakte talrijke spleten
en kloven, door welke 's zomers het smeltende sneeuw-
water in de diepte dringt, dat 's winters bevriest. Daar-
door barsten de dikke ijsgevaarten weder, en dit barsten
veroorzaakt dikwijls een schrikbarend geraas. De verbrok-
keling houdt eerst op, als de ferner begint af te nemen.
Zijn afzakken naar de bewoonde streken gaat sneller,
naarmate hij van weerszijden nauwer tusschen onbewe-
gelijke rotsen is ingeklemd. Hij schuift in deze dalwaarts
gaande beweging alles voor zich uit en schaaft het gras
van den rotsachtigen bodem weg, waarop het groeit.
Het grondwater dringt ook in de kloven van het gebergte
en bevriest daar. Daardoor worden ontelbare rotsblokken
uit hunne plaats gedrongen en opgetild. Zij rijzen door
herhaalde uitzettingen al hooger en hooger en brengen
de vele wonderlijk gevormde steenlagen in het fernerijs
te voorschijn. Dikwijls ontstaan in het binnenste der ijs-
bergen uitgestrekte meren, die, lang ingeklemd, plotse-
ling door het ijsdek breken en alsdan de dalstreek ver-
woesten. De spleten en kloven zijn aan eene bestendige
verandering onderhevig; zij vormen de wonderlijkste to-