Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
meer. Verreweg de meeste poppen worden echter in hare
cocons gedood j waartoe men haar in een heeten bakoven
brengt of aan de dampen van kokend water, van terpen-
tijn of wijngeest blootstelt. Hierop droogt men de cocons
bij matige warmte en kan ze vervolgens op eene droge
plaats jaren lang bewaren.
En hoe is nu verder de bewerking ? Men sorteert ze
eerst in witte, gele en groenachtige of in goede, middel-
matige en slechte soorten. Goed noemt men de vaste en
lichte cocons, die bij behoorlijke ontwikkeling de grootte heb-
ben van een duivenei. De witte en gevlekte moeten echter
allereerst afgewonden worden. Dat afwinden is nu juist
de grootste kunst. De draad mag niet afgebroken worden,
en daarom heeft men tot het behoedzaam afwinden de has-
pelmachine uitgevonden. Eer men echter tot die af-
wikkeling kan overgaan, moeten de draden der cocons
losser liggen; de taaie gom, die de zijden draden aan
elkander doet kleven, moet verwijderd worden, en dat
geschiedt in vlakke, koperen ketels, met nagenoeg kokend
water. Met stompe roeden zweepen vrouwen de cocons
daarin zoo lang, tot de beginsels en bovenste lagen van
het fijnste middenspinsel aan de roeden blijven hangen.
Nu brengt men de cocons in lauw water en daaruit
haspelt men de draden af. De vrouwen halen de draden
van vier tot vijf cocons door de in eene dunne ijzeren
plaat geboorde gaatjes en vereenigen alle draden. Met
een op die wijze verkregen dradenwindsel heeft men
reeds een redelijken draad, die op een wiel met vier
spaken wordt opgewonden. Hierop sorteert men de zijde
en bewaart ze in eene kist met bezwaard deksel. Dit is
nu de zoogenaamde »ruwe zijde", waarvan elk land, dat
zich op de zijdeteelt toelegt, zijne soorten heeft.
De beste, witste, maar ongelijk gesponnen ruwe zijde
levert China, schoon de Bengaalsche en in het algemeen
de Oostindische zijde fijner is. Frankrijks zijde is door-
gaans niet zoo wit, maar meesttijds veel gelijkmatiger
geweven. De ruwe zijde moet nog van haar wasachtig
vernis , van hare stijfheid bevrijd worden. Men kookt tot
dit einde de zijde in water, waarin fijne zeep opgelost