Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
gebruik, die met alle zorg ingepakt en meestal door ver-
momde personen aan huis bezorgd worden, daar de ont-
vanger niet mag weten, van wien het geschenk komt.
Hoe geheimer dat blijft, des te meer voldoening heeft
de toezender.
In de steden wordt op den 25 December de Jidafrei
of Kerstmisvrede plechtig door herauten afgekondigd. Uit
kracht daarvan wordt de straf voor alle overtredingen,
die tot den 13 Januari begaan worden, verdubbeld. Deze
Kerstvrede geldt voor het gansche land en gaat gepaard
met de vermaning, om zich ordelijk en rustig te gedra-
gen en den feesttijd niet te ontwijden. Dit gebruik is
van eeuwenoude dagteekening.
7. EENE STEENKOLENMIJN BIJ NEWCASTLE.
Aan zijne rijke kolenmijnen heeft Engeland voor een
groot deel de ontzettende ontwikkeling zijner nijverheid,
zijn nationalen rijkdom en tengevolge daarvan zijne staat-
kundige grootheid te danken. Zonder zijne kolen zouden
zijne grootsche uitvindingen weinig voordeel aanbrengen
en geen leven, geen kracht, geen beweging ontwikkelen.
Eerst toen men den onmetelijken schat der kolenmijnen
leerde waardeereh, nam de Engelsche industrie hare hooge
vlucht.
Ik zal nooit den dag vergeten, toen ik voor de eerste
maal eene steenkolenmijn in de buurt van Newcastle be-
zocht. 't Was in 't hartje van den zomer en drukkend
heet. Zwarte onweerswolken hingen aan den hemel,
maar uit het aardrijk vóór ons stegen dichte rookwolken
op, die alle voorwerpen in een donkeren, grauwen sluier
hulden. Toen wij verder kwamen, scheen ons de geheele
omtrek een brandende zwavelpoel toe, en eindelijk om-
gaf ons de stinkende damp zelf en benam ons alle uit-
zicht. Uit de diepte lieten zich vreemde tonen hooren,
en het zuchten der pompen, het stampen der stoomraa-