Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
vooral van maïsvelden gebruikt werd; later werd zij
jaarlijks bij duizenden van tonnen naar Europa vervoerd.
De guano is van zeevogels afkomstig; zij is hun drek.
Deze vogels, die wij guanovogels kunnen noemen, leven
alleen van visschen en andere zeedieren; hunne uitwerp-
sels zijn dus bijzonder rijk aan de in de lichamen dier
dieren aanwezige stoffen. Onder deze zijn stikstof, phos-
phorus en zwavel de belangrijkste, en deze stoffen zijn
het ook, die den krachtigsten mest geven. Daarbij komt
nog, dat de guano deze stoffen in een' vorm en in eene
verbinding bevat, waardoor zij in het water gemakkelijk
opgelost en in dezen toestand door de plantenwortels licht
opgenomen kunnen worden.
Men vindt de guano soms in lagen van 60 voet dikte,
tot welker ophooping natuurlijk vele en vele jaren noodig
zijn geweest. Zij vormt eene dichte, op het gevoel ee-
nigszins vettige massa. De bovenste laag, de verschte en
de beste, is vuil geelachtig wit en heeft eene doordrin-
gende lucht. De dieper lagen zijn veel donkerder en
van geringer waarde. Niet zelden kan men daar nog
vederen, beenderen en eieren van vogels in vinden. Tot
de guanovogels behooren de pinguïen, de albatros, de
meeuw en de zeezwaluwen, welke men dikwijls in onme-
telijke zwermen op deze mesthoopen gelegerd ziet. —•
— »Daar hebben wij de drekeilanden!" riepen de
matrozen, en de kapitein vroeg, of wij niet reeds een luchtje
bespeurden, toen wij de Ghinca-eilanden in 't verre ver-
schiet zagen oprijzen. En werkelijk, hoe nader wij
kwamen, des te merkbaarder werd de van de guanorotsen
komende salmoniaklucht. Ik begreep niet, hoe ik die
lucht zoo lang het inladen duurde uithouden zou. Dat
ging nochtans beter, dan ik verwacht had. 't Was evenwel
vrij wat erger voor de matrozen, die de aan boord ge-
brachte guano in het ruim omwerken moesten, en menig
nieuweling viel daar wel eens flauw bij neer. Het on-
dragelijkst moet het nochtans zijn, als het schip onder
de maugueras d. i. de zakken en glijplanken, gelegd
wordt, die van de rotsen afdalen en door welke de guano