Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
gastel! en vreemdelingen bestemd. Dit is de »stuga" en
hier, in Bolkerjoe, was het een van die ouderwetsche
fraaie huizen, die van jaar tot jaar zeldzamer worden en
nog schaars aan te treffen zijn. Zijn smalle ingang was
met uitgebeitelde posten voorzien, die wonderlijke ver-
sierselen : monsterachtige griffioenen en serpenten, gedroch-
ten met wolfs- of drakenkoppen, vertoonden. Boven ver-
eenigden zich die sieraden tot eene soort van kroonlijst en
liepen verder op tot het dak. Ook de hoeken van het
huis waren met krullen en arabesken uit hout versierd.
Uit een smal voorportaal trad men vervolgens in een groot
vertrek. Het bevatte eene haardstede, en aan wederzijden
waren bedsteden tusschen stevige posten, die de zoldering
hielpen dragen. De staatsie- of pronkkamer was nogtans
een trap hooger. Hier stonden kasten, blauw geverfd
en met bloemen en festoenen beschilderd. Ook de bed-
steden waren bont en met zorg bewerkt. Langs de wan-
den las men hier en daar spreuken en bijbelteksten,
die tot deugd en godsvrucht aanmaanden of de woning
in alle nood en gevaar aan de bescherming van den
Almachtige opdroegen. De vloer was met groene geurige
dennennaalden bestrooid; de ontzettend groote tafel was
wit en spiegelglad; alles getuigde van zorg en netheid,
en ik voelde mij wèl in dit stille vertrek, te midden van
al dat blinkend tin en blik op de wandlijsten, waartus-
schen koppen, glazen en kannen in keurige orde verdeeld
stonden. Dat de bezitter een gegoed man moest zijn,
bleek uit het vele zilver; ja, zelfs een groote, eens ver-
gulde schotel, licht wel een doopbekken, pronkte onder
al dat kleine huisraad en viel dadelijk in het oog. —
Hier in de stuga logeerden wij ; doch de eigenaar had,
volgens oud vaderlijk gebruik, zijn voorraadshuis, het
»stöplebod" of palenhuis, tot woning, 's Mans achttien-
jarige zoon, een zoo verstandig, bescheiden en goed on-
derwezen jongmensch, als men bij ons onder dien stand
zelden aantreft, liet ons dat voorraadshuis zien. Zulk
een huis rust op palen. Men bouwt het zoo hoog, om
er vochtigheid en ongedierte uit te weren; de trap, die
naar boven leidt, is zoo ver van den drempel, dat ratten