Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
III
trekken van een menschenhoofd, daar vertoont zich eene
in de gedaante van een' burg, hier rijzen zuilen, daar
koepels op. Deze rotsen zijn deels graniet, deels zand-
steen. De grillige vormen, welke de bergkruinen in de
nevelachtige verte vertoonen, hebben dan ook bij de
heidensche bewoners van Zuid-Amerika tot eene menigte
verhalen en overleveringen van booze geesten aanleiding
gegeven, welke zij door offers zoeken te verzoenen.
De Orinoco en de Amazonenrivier hebben eene menigte
bijstroomen, die het verkeer in het land gemakkelijker
maken. Dit doen echter alleen de grootere; wie op klei-
nere rivieren reist, heeft met allerlei zwarigheden te wor-
stelen: de stroomingen en watervallen belemmeren niet
zelden de vaart, en men moet zijne boot te land op
rollen voortschuiven, tot het water weer bevaarbaar is.
Een gevaarlijk bewoner dezer stroomen is de kaaiman,
de Amerikaansche krokodil. Het dier is 14 voet lang,
heeft een zeer taai leven en is alleen aan den buik en
door het oog kwetsbaar.
60. EENE BRAZILIAANSCHE LANDHOEVE
De facenda of plantage, die wij aan den voet van een
kegelvormigen berg zagen liggen, bestond uit een groot
fraai gebouwd woonhuis en verscheiden honderd morgen
met zorg ontgonnen land, dat in vollen bouw stond en
het oog al de voortbrengselen eener Braziliaansche land-
huishouding aanbood. Eerst zag men weiden van
Guineakruid. Deze grassoort, die met de Negerslaven uit
Afrika ingevoerd werd, is voor Brazilië eene wezenlijke
weldaad geworden. De bladeren zijn 2 c. M. breed
en 3 d. M. lang; de stengel verheft zich, als die van
het suikerriet, tot eene hoogte van tien tot twaalf voet.
Nevens deze weiden lagen groote velden met maniokplan-
ten , die met hare vingervormige, getakte bladen en knoes-