Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
iio
mantel van herte- of schapevel, die kunstig met glazen
kralen en hermelijn of ander bont bezet is. De nauw
sluitende hertslederen broek is op de naden met pennen
van het stekelvarken versierd. Over den eenen schouder
■ hangt de huid van een' buffel, waarop de heldhaftige da-
den van den bezitter voorgesteld zijn. Dikwijls koopen
de Indianen thans van de blanken ook bonte dekens,
■welke zij over hoofd en schouders dragen. Op een' krijgs-
of rooftocht zoeken zij zich door beschildering van het
lichaam en door overal aangebrachte horens en staarten
een schrikbarend aanzien te geven.
De bouw der hutten verschilt bij bijna iederen stam.
In den plat gestampten bodem worden palen gedreven en
aan de buitenzijde met een aarden wal omgeven. Op
deze palen maakt men andere vastdie binnenwaarts op-
loopen en een puntig dak vormen, dat met boomtakken
en daarop met aarde bedekt wordt. Sommigen spannen
ook buffelhuiden over dat bindwerk uit. In het midden
van den »wigwam" of de hut is de stookplaats, waarover
de ketel met buffelvleesch hangt, terwijl de rook door
eene opening in het dak een' uitweg moet zoeken. Door-
gaans zijn de hutten van een Indiaansch dorp rondom
eene grooter hut, den tempel, gebouwd. Voor de gan-
sche huishouding, het opbouwen der hut, het vervaardi-
gen van kleederen, van jacht- en vischtuig heeft de vrouw
te zorgen, terwijl de man, als hij niet op de jacht of
op een' krijgstocht uit is, rustig op zijne berenhuid ligt.
Wanneer de wilden in den krijg gaan, die onder deze
zwervende stammen dikwijls uitbreekt, straalt woede en
vuur uit hunne oogen. Met lans, boog en pijl, met
knodsen, messen en strijdbijlen dringen ze met woest
geschreeuw op elkaar in, tot eene der partijen genoodzaakt
is, het veld te ruimen. In den laatsten tijd bedienen
zij zich ook van het geweer. De gedoode of gevangen
vijanden worden geskalpeerd, d. i. men trekt hun de
schedelhuid af, die als een zegeteeken bewaard wordt.
Vervolgens viert men de overwinning onder dansen en
vreugdebedrijven, terwijl de gevangenen op de gruwe-
lijkste wijze gemarteld worden. Gewoonlijk wordt de