Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
voor tijden hier neergezet hebben en er met hun gezin
als van de wereld geheel afgezonderd leven. Des morgens
zendt de boer zijn vee naar de weide, en vervolgens
brengt hij den dag met rooken, eten en slapen door,
daar ploegen en oogsten hem slechts een gering gedeelte
van zijn' tijd wegnemen. Treurig is het voor den boer,
wanneer de jaarlijks invallende droogte lang aanhoudt en
honderden van koeien en schapen van honger doet om-
komen. Nog meer in het oog loopend, dan op de lagere
vlakten, is de afwisseling van plantengroei op de hooger
gelegen tafellanden. In den zomer wordt de bodem bijna
tot de hardheid van baksteenen uitgedroogd. Op de
gansche uitgestrektheid dier woestenij is dan nergens een groe-
ne boom, een struik of zelfs een grashalm te ontdekken.
Slechts langs de uitgedroogde beekbeddingen ziet men
enkele mimosa's, biezen en stekelachtige gewassen,
welker wortels met een voldoend net van vezels onder de
bovenste schors bekleed zijn, om aan de langdurige droogte
weerstand te bieden. Zelfs voor zebra's, antilopen en
struisvogels wordt de dorre woestijn alsdan onbewoonbaar
en doodstille heerschl op de wijde, uitgestorvene vlakte.
In de lente echter, na zomerhitte en wintervorst, brengt
de weldadige regen eene tooverachtige verandering te weeg.
In weinige dagen bedekken millioenen bonte bloemen het
bevochtigd aardrijk; de mimosa's bekleeden zich met
jeugdig groen, de Afrikaansche vijgeboomen breiden hunne
breede kroonen over de wijd geopende bloesems uit, de
fraaie lelieplanten ontwikkelen zich in onbeschrijfelijke
pracht. Lijsters, vinken, leedere suikervogeltjes en in de
dichte mimosa's kirrende tortelduiven brengen vroolijkheid
en leven in de wildernis en kudden van springbokken
vergasten zich aan het malsche groen. Van de omliggende
hoogten komen thans de herders met hunne schapen-
en runderkudden naar de vlakte afdalen; maar — na
niet veel langer dan eene maand hebben de heete zonne-
stralen al deze pracht en heerlijkheid ook weder geheel
doen verdwijnen.
Behalve de Ilollandsche kolonisten wonen in het Kaap-
land ook nog inheemsche volken. De Hottentotten,