Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
koordedansersdriestheid te wiegelen, en tot in 't midden
van den kokenden stroom, op zijne puntigste klippen,
hadden zij zich gewaagd en genesteld. — De volle uiter-
lijke ontzaglijkheid en het verborgenste wezen der schep-
ping, hare eeuwigdurende kracht en hare eeuwige ver-
nieling vertoonden zich in alle trappen. Over elkander
gesmeten, verbrijzeld, vermolmd en verweerd lagen tal-
looze stammen, gelijk de dood hen geveld had. Sommi-
gen hadden dien lang getrotseerd, tot hun laatste uur ein-
delijk kwam; voor anderen was hij te vroeg gekomen.
Hier rustten zij in dichte gemeenschap; däär had een uit
de hoogte neerploffende reus vermorzeld, wat hem stuiten
wou in zijn' val. Met koninklijke lijken bedekten zij de
rotsen, waarop hunne kronen verbrijzeld waren; waggelend
en kreunend stonden anderen met gehavende , losgewoelde
wortels en verbeidden den stond, die een eind aan hun
bestaan zou maken. Van velen, eens stout en geweldig,
restte niets meer, dan een rotte, half vergane tronk;
over die heengesraeten lagen hunne kinderen en klein-
kinderen, aan wie de worm der vernieling nog beter
knagen kon. Hier ontbraken de takken, daar de schors;
hier was de splint nog frisch, daar alle hulsel tot op het
diepste merg afgevallen, terwijl nevens hen, hunne ellende
bedekkende, groene, saprijke makkers rustten, die gisteren
nog frissche takken in de lucht opstaken, waarop een
zwervende vogel rust en slaap zocht, maar krijtend op-
fladderde en vluchtte, toen de geesten van den nacht
huilend door de kloof stormden en den levenden stam bij
de dooden wierpen.
4. DE „GAARD" VAN EEN NOORWEEGSCHEN LANDMAN-
De hofsteden of »gaarden" der welgestelde landlieden
in het Noorweegsch gebergte bestaan steeds uit verschei-
den , van elkaar afgezonderd liggende huizen. Éen bevat
gewoonlijk de pronkvertrekken en is tot het opnemen van