Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
103
grofste en zinnelijkste heidendom. »Fetisch" beteekent
zooveel als een tooverding en wordt als een beschermgeest
beschouwd. Geen ding, of het kan fetisch zijn. Niet
alleen water, vuur, steenen, dieren, maar zelfs stukjes
hout, beenderen, vischgraten enz. kunnen als fetischen
dienen, waaraan men allerlei wonderkrachten toeschrijft.
De priesters zijn waarzeggers en toovenaars. Met het
Christendom worden de Negers alleen in de Europeesche
bezittingen eenigszins bekend.
De zeden zijn in het algemeen zeer ruw , en aan het
leven der menschen wordt weinig of geen waarde gehecht.
De slavernij is wel in Afrika zelf inheemsch, maar ver-
schilt daar toch hemelsbreed van die in andere landen.
Hier, in Afrika, bestaat tusschen den inlandschen slaaf
en zijn' meester een aartsvaderlijke betrekking, en bij de
meeste stammen mag geen heer, indien hij niet koning
is, over het leven der slaven beschikken.
5?. DE LEVENSLOOP VAN EEN' NEGER.
De zendeling Moffat, die zich langen tijd in Zuid-
Afrika heeft opgehouden, geeft het volgende staaltje van de
kernachtige wijze, waarop de Afrikanen zich weten uit
te drukken. Een Neger beschreef hem zijn' levensloop
als volgt:
»Mijne jaren waren achttien. Er kwam oorlog. Om
dien tijd stierf mijne moeder. Mijn vader stierf. Ik
begroef hem. De Foehla's vingen mij. Zij verkochten
mij. De Hoesa's kochten ons. Zij brachten ons naar
Tomba. Aan een' blank man verkochten zij ons weder.
Wij hadden geen hemden. We hadden geen broek. We
waren naakt. Midden in 't water, midden in een schip
brachten zij ons. De dorst doodde hier een; de honger
doodde daar een. Bij nacht baden wij. Bij zonnetijd
baden wij. God hoorde ons. De Engelschen zijn goed.
God zond hen. Zij kwamen. Zij namen ons. Onze
honger stierf. Onze dorst stierf. Onze boeien vielen ons