Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
niet zelden hunne toevlucht. Krijg en slavenjachten zijn
in den Soedan zeer gewone zaken. Hier in de wildernis
vinden de vluchtelingen het weeke merg van het mele-riet
en de zaden van de lotusbloemen tot spijs, terwijl het
water hun visch in overvloed levert.
52. DE NEGERS.
De Negers zijn de oorspronkelijke bewoners van Afrika,
behooren tot den Aethiopischen stam en wonen vooral
in de binnenlanden en aan de westkust van hun wereld-
deel.
Over het geheel zijn de Negers een sterk, krachtig
volk. Zij zijn van behoorlijke lengte en welgebouwd;
hunne zenuwen en spieren zijn sterk, maar komen niet al
te zeer te voorschijn, zoodat zij een krachtig uitzien met
een aangenaam voorkomen verbinden, welk laatste vooral
van de Negers in Asjantie, Dahomeh en Calabar geldt.
Bij deze springen de opgeworpen lippen en de platte neus
ook niet zoo als bij de meeste andere Negers in het oog.
De kleur der Negers doorloopt alle tinten, van het don-
kerst zwart tot het lichtbruin. Bij de geboorte is de
kleur der Negerkinderen bijna niet van die der Euro-
peesche kinderen te onderscheiden; doch zij wordt spoedig
donkerder, vooral ook door het op vele plaatsen heer-
schend gebruik, om de kleinen met palmolie in te wrijven
en hen dan aan de stralen der zon bloot te stellen.
Tegen het dertigste jaar heeft die donkerheid den hoogsten
graad bereikt; op hooger leeftijd neemt zij allengs weer
af, en bij Negers van zeventig tot tachtig jaren is de
huid doorgaans bleek, geelachtig en slap geworden. Op-
merkelijk is het, dat de binnenzijde der hand en de voet-
zool niet de kleur van het overige lichaam aannemen,
maar altijd witachtig blijven.
De woningen der Negers bestaan meest uit vlechtwerk,
dat tusschen een dubbelen scheidswand met aarde opge-
vuld wordt. Op andere plaatsen bouwt men leemen