Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
Hier is de dadeloogst van even groot gewicht, als bij
ons die van tarwe, rogge of aardappels, en het misluk-
ken ervan verwekt groote bekommernis. »Wat kosten
de dadels te Mekka of Medina?" is doorgaans de eerste
vraag, die de Bedoeïen doet, als hij op weg reizigers
tegenkomt.
De stam van den palmboom wordt van honderd tot
soms honderdvijftig voet hoog; doch de gemiddelde hoogte
is tot zestig, bij eene dikte van twee tot drie voet. Hij
kan tweehonderd jaar oud worden. De bladstelen zijn
zes voet en in Afrika zelfs acht of negen voet lang.
Aan beide zijden van den steel zitten rietachtige bladeren,
die in het midden in de lengte saamgevouwen zijn. Een enke-
le bloemtros, die daaruit voortschiet, draagt dikwijls twee-
honderd vruchten. Ieder dadel is zoo groot als een pruim
en heeft eene harde kern, die in een sappig, suikerzoet
vleesch zit besloten. Men plukt en gebruikt deze vruch-
ten op verschillende wijze: onrijp, halfrijp en geheel rijp.
De ingezamelde dadels spreidt men op stroomatten uit,
waar zij spoedig week en brijachtig worden. Dan zwel-
len zij op en worden goed, zoodat zij niet meer aan be-
derf onderhevig zijn. Gedroogd zijnde, komen zij onder
de pers, die er het suikersap uittrekt, dat als stroop
dient en na de gisting een aangenamen wijn levert. De
geheel uitgeperste dadels worden door de geringen ge-
geten. Dan nog worden de pitten tot meel gemalen en
kameelen en andere lastdieren daarmede gevoederd. Men
geniet intusschen niet alleen de vruchten, maar ook an-
dere deelen van den boom; want de jonge stammen
bergen een week, voedzaam merg, dat voor eene lekkernij
geldt, en de jonge, nog niet geheel ontwikkelde blade-
ren leveren, gekookt, een smakelijk gerecht (palmkool)
of ingelegd, een aangenamen konfituur (palmkaas). In
den stam des booms maakt men insnijdingen, en het
daaruit vloeiende sap geeft een verfrisschenden drank,
den palmwijn, die echter slechts een paar etmalen goed
blijft. Het hout is evengoed tot timmer- als tot brand-
hout geschikt. De bloemscheeden, waaraan men, als ze
nog jong zijn, door drukken den vereischten vorm geeft,