Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
met bonte turbans en mantels, allen met dolk en sabel
gewapend. Aan de zijde der kameelen draven de zwarte
slaven. Bovenop rijdt een bruin, mager Arabier, de heer
en aanvoerder van den troep. Al dat bonte gewemel is in
eene wolk van stof gehuld. De zon komt nu op en geeft
het teeken tot het algemeen morgengebed. De gloed der
zon neemt toe; de ontvelde voetzolen branden, de lede-
maten worden slap, een gloeiende dorst pijnigt allen.
Geen stroom, geen groen, geen struik wijd en zijd.
Daar rijzen eindelijk in de verte eenige palmen op, en
waar die zijn, is ook water. De kameelen hebben daar uit
de verte reeds lucht van gekregen en versnellen hun' tred.
De bron, die uit het woestijnzand opborrelt, is spoedig
bereikt. Men vormt een' kring; het koude water verfrischt
menschen en dieren. Nu slaat men de tenten op en
legert zich voor den nacht. Wat droge doornstruiken en
opgeraapte kameelmest geven hout en kolen tot een vuur.
De telkens weer met frisch, koel water gevulde zak gaat
in den kring rond. Een paar van de Arabieren bakken
brood, waartoe zij het deeg uit bonenmeel in een' houten
schotel kneden en dan de dunne ronde schijven in het heet
gemaakte zand gaar laten worden. Nog heet worden die
door de hongerigen verslonden en zij drinken er kameel-
melk bij. Een gloeiend rood schijnsel breidt zich plot-
seling over den hemel en de zandvlakte uit; de zon is on-
dergegaan. De korte schemering verdwijnt schielijk en
de maan werpt haar blauwachtig licht over het eenzame land-
schap. Het is nacht geworden. De paarden brieschen, de ka-
meelen schreeuwen, het licht der lamp schemert door het
gestreepte linnen van de tent. Om de vuren buiten
legeren zich de bruine Arabieren in hunne witte mantels.
Sommigen slapen, anderen vertellen elkaar sprookjes of
ontmoetingen, die zij zeiven hebben gehad met over-
vallen karavanen of geplunderde reizigers. De vreemde-
ling wordt angstig voor deze roovers, die echter, als zij
het loon voor hun geleide ontvangen hebben, de beste
en trouwste gidsen zijn.
Het wordt morgen. Terwijl de paarden opgetuigd
■worden, trekken twee of drie Arabieren de prikken van