Boekgegevens
Titel: Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Auteur: Goeverneur, J.J.A.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1873
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-205
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200667
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Overal heen!: een reisje de wereld rond met de laarzen van den reuzeman: kleine bijdragen tot bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis
Vorige scan Volgende scanScanned page
in de bosschen der heete zone, geen slingerplanten van
wonderbaarlijke rekbaarüeid en lengte, geen bloesems met
wijd geopende kelken, geen bonte schakeering van vreemd
geplooid, gerimpeld, op honderderlei wijze gefatsoeneerd
gebladerte. De bergbeek alleen hield de beide dalwanden
en de breede gaping tusschen deze bezet, door welke in
eene uitgespoelde gleuf de wilde bergstroom zich klaterend
neerstortte. Soms zag het oog dien als een waterval
verschijnen, die over ontzaglijke rotsblokken naar beneden
schoot, soms met schuim en vlokken omsluierd in een
afgrond bekneld, waaruit een stofregen hoog opstoof;
dan weer flikkerde hij met het fraaie blauw van zijn
gletscherwater half gesust van tusschen een breeder door-
loop uit, en wat verder verdween hij onder donkere steen-
lagen , om nog wat verder in een sneeuwwit kleed van
gistend bruis uit zwarte, geheimzinnige bogen en holen
te voorschijn te springen.
Die woudstreek volgde den stroom mijlen ver en sloeg
haar donkeren gordel om diens snelvlietende kronkel-
bochten. Duizende jaren moesten verloopen zijn, voordat
hier boomen wiessen, uit welker molm en bladerenmest
langzamerhand eene aardlaag ontstond, die, door regen-
vlagen en smeltende sneeuw telkens weer weggespoeld,
zich nooit hoog genoeg opeen kon pakken, om den rots-
achtigen bodem gelijkmatig te bedekken. Op enkele
plaatsen, in holten en verdiepingen, was dit ten volle
geschied, en hier rezen geweldige dennen op, die hunne
zwarte kruinen koen en breed tegen wolken en stormen
ophieven. Zwakker makkers leunden tegen hen aan en
■werden door de machtige reuzen gesteund en geschraagd.
Dichte rijen van de zwaarste boomen vormden kampen
en wallen van een zoo fraai, degelijk hout, als ergens
op den aardbodem te vinden is. Op andere plaatsen had
de groeikracht met meer hindernissen te -worstelen gehad.
Over met mos begroeide steenen en blokken spande zich
een net van wortels uit, ter nauwernood sterk genoeg,
om enkele ' slanke boomstammen te dragen. Ze staken
hunne lange vingers in alle voegen en spleten; op de
spitsen en kanten van 't getakt gesteente stonden zij met