Boekgegevens
Titel: Versjes voor jonge kinderen: met eenige zangwijzen
Auteur: Goeverneur, J.J.A.; Brugsma, Berend
Uitgave: Leeuwarden: Hugo Suringar, 1877
Leeuwarden: Coöperatieve Handelsdrukkerij
6e dr; 1e dr.: 1843
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4159
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200651
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Versjes voor jonge kinderen: met eenige zangwijzen
Vorige scan Volgende scanScanned page
wmm
IV
Een meer bijzonder doel weoscht men tevens door het gepast van
buiten leerea van deze versjes en liedjes te bereiken: de opwekking
en verlevendiging van het godsdienstig gevoel.
Ieder onderwijzer of onderwijzeres van eene Kleine-kinderschool
weet, dat de daar aanwezige kleinen voor een opzettelijk, aaneen-
geschakeld godsdienst-onderwijs nog niet rijp zijn. Maar voor eene
goede, zedelijke, gemoedelijke en vrome toespraak is het hart van
elk kind open.
Het godsdienstig gevoel sluimert in zijn binnenste; het moet door
moeder of vader, door onderwijzer of onderwijzeres gewekt, verle-
vendigd en versterkt worden. Hunne toespraken moeten kort, een-
voudig, natuurlijk, levendig, kinderlijk^zijn; moeten het kind nim-
mer door langdradigheid vervelen , het nooit door droge afgetrok-
kenheid een onverteerbaar voedsel aanbieden.
De kleinen moeten hunnen Hemelschen Vader in Zijne werken
leeren aanschouwen. In zon en maan, in dier en plant, in lucht-
verschijnselen en jaargetijden moeten zij Zijne almacht en wijsheid
opmerken; in verschillende omstandigheden des levens tot Hem,
als den Oorsprong en Gever van alle goed , het waardige voorwerp
van hunne liefde, aanbidding en vereering, gebracht worden.
Aanleiding tot dit alles geven de voor ons liggende versjes, die
wel eens, alleen door een goed voorlezen van onderwijzeres of mees-
ter — wij waren er meermalen getuige van — een diepen en heil-
zamfin indruk op de kleinen gemaakt hebben.
Maar wij wenschen deze versjes aan het geheugen der kinderen
toe te vertrouwen, de daarin uitgedrukte gevoelens en denkbeelden
hun eigen te maken. Hoe geschiedt dit? — De onderwijzer of on-
derwijzeres kiest telkens uit den gegeven voorraad datgene, wat hij
of zij voor het oogmerk het meest gepast rekent, en spreekt over
het onderwerp, 't welk het versie of liedje behandelt, eenvoudig en
natunrlijk, warm en levendig met de kleinen. Tot vasthouding van
hetgene men hun duidelijk en gewichtig gemaakt heeft, zegt men hun
nu de enkele regels van het versje of liedje voor, welke door de
kleinen op dezelfde wijze bij herhaling en met juiste inachtneming
van de maat moeten nagesproken worden. Zoodra ze een regel van
buiten kunnen opzeggen, wordt er een tweede regel aan verbonden,
— aan de heide eerste een derde en vierde regel, — en op die
wijze kost het weinig moeite , om vier-, vijf- of zesjarige kinderen
de onderscheidene coupletjes binnen een korten tijd van buiten te
doen leeren.
Waar men het noodig oordeelt, kan men hier en daar het vóór-
zeggen wel eens van eene korte woord- en zaakverklaring vergezeld
doen gaan; doch meu hoede zich , alles te willen verklaren , wat
men nog onbegrijpelijk voor de kleinen rekent. „Veeltijds is het