Boekgegevens
Titel: Engelsch leesboek voor eerstbeginnenden, benevens een woordenboekje
Auteur: Gedike, Friedrich
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1853
6e verb. dr
Opmerking: Vert. van: Englisches Lesebuch für Anfänger, nebst Wörterbuch und Sprachlehre. - 1795
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4089
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200629
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsch leesboek voor eerstbeginnenden, benevens een woordenboekje
Vorige scan Volgende scanScanned page
G.
225
klaar maken. — Het verl,
deehc. soms overtollig;
gaan, komen; to get at,
enz, tot iets geraken,
bij iets komen; to get
home, naar huis komen,
te huis komen; togetout,
uitgaan; to get up en
upon, opklimmen, opstaan
uit het bed; in den ee-
nen of anderen toestand
geraken, worden; to get
drunk, dronken worden ;
to get rich, rijk wor-
den,
Ghastly, adj. spookachtig,
vreeslijk , huivering-
wekkend.
Gift. s. gave, geschenk,
bekwaamheid.
to Gild, V. a. vergulden,
lo Gird, V. a. gorden.
Girl, s. meisje.
* toGive, (imp, lga\e,part.
given), V, a, geven, ver-
oorzaken , voortbrengen;
it gave him so much pain,
het veroorzaakte hem zoo
vele smart; to give up ,
opgeven, overgeven, over-
laten; to give over, op-
geven, afstaan; to givo
vent, lucht maken, lucht
geven.
Giver, a. gever,
G lad . adj. vrolijk, blijde,
verheugd; lahouldbeglad
to know, ik zoude gaarne
willen weien, ikwensch-
ie wel ie weten.
Gladly, adv. blijde, met
vreugde,
to Glare, v. a. met glans
verblinden.
Glaring, adj. blinkend,
Glass, a. glas, vaatwerk van
glas.
to Glean, v. a. opzamelen,
vergaren.
Glimpse, a, schetnering,
straal,
to Glitter, y. n, glinsteren,
fonkelen.
Glitter, s. glans.
Gloom, s. duisterheid.
Gloomy, adj. duister, don-
ker, treurig.
Glorious, adj. roe7nrijk.
Gloriously, adv. roemrijk.
Glory, roem, eer, glorie.
Glove, s. handschoen,
to Glow, V, n, gloeijen,
to Gnaw, v. n. knagen,
• to Go, {imp, 1 went,
part. gone), v. n. gaan,
reizen , op het punt
zijn van iets te doen,
gelukken, wel of kwa-
lijk uitvallen; finding the
battle to go against him,
toen hij vond, dat de slag
te zijnen nadeele uitviel;
to go mad, dol worden;
to go slack, slap worden.
God, s. God,
Goddess, s. godin.
Godfather, a. peetoom.
Godmother, s. petemoei.
Godion, a. petekind.
Gold, a. goud.
Golden, adj. gouden.
Gone, part, {van to go)
gegaan, verloren.
Good, a. goed, welvaart,
beste; {in plur), gooda,
goederen, waren; adj.
goed.
Good-breeding, a. beschaafd-
heid, goede zeden, wel-
levendheid.
Good-nature, a» goedhar-
tigheid.
Good-natured, adj. goed-
hartig, goedaardig.