Boekgegevens
Titel: Engelsch leesboek voor eerstbeginnende, benevens een woordenboekje
Auteur: Gedike, Friedrich; Bomhoff, Derk
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1840
5e verb. dr.
Opmerking: Vert. van: Englisches Lesebuch für Anfänger, nebst Wörterbuch und Sprachlehre. - 1795
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4085
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200628
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsch leesboek voor eerstbeginnende, benevens een woordenboekje
Vorige scan Volgende scanScanned page
N.
247
lïaplcB, 8. I^'apeU,
Narration, 8. terhaal, berigt.
Narrative, s. verhaal.
Narrow, adj. naauio, beperkt.
Narrow-necked, adj. naauio-
halzig.
Narrowness, s, bekrompen*
heid.
Nation , 8. natie , volk.
Native, adj. tot de geboorte
behoorende ; the native
country, het vaderland.
Natural, adj. natuurlijk.
Naturally , adv. natuurlijk.
Nature, s. 1. natuur, (over
het algemeen); 2. (de ei-
genlijke) natuurlijke ge-
steldheid van eene zaak;
3. eigenschap; 4. wijze,
wijs,
Natured, adj. met eene ze-
kere natuur voorzien ;
good-natured, goedaardig;
ill-natured, boosaardig,
Nogivation , s. scheepvaart;
zeevaart.
Navy, 8. vloot, (voorname-
lijk de oorlogsvloot).
Nay , 8. 1. {een woordje
van ontkenning) : neen ;
2, zelfs, ja.
Near, adj. en adv. nabij.
Nearly, adv. ten naaste bij,
zeer na.
Neat, adj. net, zindelijk,
zuiver.
Necessary , adj. noodig ,
noodzakelijk.
Necessity, s. I. noodzake-
lijkheid; 2. wat tot het
menschelijke leven nood-
zakelijk is, behoefte, be-
noodigdheid.
Necessarily, adv. noodzake-
lijk.
Neck f 8. nek , hals.
to Need, v. a. et n. noodig
hebbe?h, behoeven.
Needful, adj. noodzakelijk.
Neglect, s. nalat ig heid, ver-
zuim,
to Neglect, v. a. verwaar-
loozen verzuimen.
to Negociate, v. a. nego-
cieren, door onderhandel
lingen trachten te ver-
krijgen.
Negro, 8. neger.
Neighbour, s. buurman.
Neighbourhood , s. buur-
schap, buurt.
Neighbouring, adj. in de
buurt, nabij, naburig.
Neither, 1.) pron. geen van
beide; II.) 1. conj. noch,
(waar dan nor op volgt);
2. noch, ook niet, (wan-
neer nor voorafgaat).
Nephew, s. neef, (zoon van
broeder of zustet),
Netherlands, 8. pl. Neder-^
landen.
Nest, 8. nest.
to Nestle, t. 1. neste-
len; 2. to nestle about,
zich heen en weder
draaijen.
Nestor, s. Nestor, (de oud-
ste en wijsste Grieksche
Vorst in den Trojaan^
sehen oorlog).
Net, 8. net.
Never , adv. 1, nimmer ,
nooit; 2. geenszins; never
fear, vrees niet.
Nevertheless, conj. niettemin^
New, adj. nieuw.
to New-create, v. a. nieuw
scheppen, hervormen.
New-elected , adj. nieuw
gekozen,
News, 8' plur. (hoewel dik-