Boekgegevens
Titel: Engelsch leesboek voor eerstbeginnende, benevens een woordenboekje
Auteur: Gedike, Friedrich; Bomhoff, Derk
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1840
5e verb. dr.
Opmerking: Vert. van: Englisches Lesebuch für Anfänger, nebst Wörterbuch und Sprachlehre. - 1795
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4085
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200628
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsch leesboek voor eerstbeginnende, benevens een woordenboekje
Vorige scan Volgende scanScanned page
226
G.
Greek, I.)». Grieh,- II.)adj.
grieksche taal, Grieksch.
Green, adj. I. groen; 2.
onrijp.
Grew, imp. Zie to Grow.
Grief, s. verdriet, kommer,
to Grieve, v. n. kommer
gevoelen , zich bedroeven;
I grieve, het doet mijleed.
Grim, adj, grimmig.
Grimness , s. grimmige ,
schrikkelijke gedaante.
Grin , 8. grijnzen, tande-
knersend lagchen,
to Groan, v. n. zuchten,
steunen,
to Grope, v. n. naar iets
in het idonker rondtasten,
tasten.
Ground , 8. oppervlakte (der
aarde), grond.
Grove, s, 1. omheining; 2,
boschje, allee.
* to Grow, (imp. I grew,
part, grown) v. n. 1.
groeijen , aangroeijen; 2,
xcorden'y to grow faint,
moede worden; their dis-
pute grew so high, hun
geschil liep zoo hoog; 3.
van iijd tot tijd komen,
naderen.
Growth, 8. wasdom.
Guard , 8. wacht,
to Guard, T. a. bewaken,
beschermen, beveiligen.
Cruardian, 8. 1. opziener*,
2. voogd.
Guest, 8. gast.
Guide, 8. wegwijzer, geleider,
to Guide, t, a. geleiden.
Guilt, 8. schuld, misdaad;
conscious guilt, een kwaad
geweten.
Guilty , adj. strafbaar ,
schuldig; to be guilty of,
aan iets schuldig zijn;
of: zich aan iets schuldig
maken , zich aan iets
schuldig gemaakt hebben.
Guinea, s. 1. guiaiie, (eene
Engelsche gouden munt,
schellingen waarde ,
in Holl, f — oter het
algemeen); I4 Guinea.
to Gush, v. n. met hevig-
heid vlieten, htroomen,
gudsen.
Gut, s. darm,
H,
Habit, 8. 1. vaardigheid,
gewoonte; 2. dragt, klee-
ding,
to Habit, T. a. kleeden,
aankloeden.
Habitation, 8. woning.
Had, imp, en part, van to
Have.
Hailstone, 8. hagelsteen.
Hair, 8. haar.
Half, I.) 8. helft; II.) aój,
half.
Halter, 8. 1. halster; 2.
strik, strop.
Hand, s. I. hand; 2. z^de;
on the other hand, op de
andete zijde.
Hand-exercise, 8. handarbeid.
Handkerchief, s. zakdoek,
halsdoek, doek,
to Handle, v. a. behande-
lefi, hanteren.
Handsome, adj. 1. schoon,
bekoorlijk 2. rijkelijk.
* to Hang, (imp. en part,
hanged cn hung) t. a. et
n. 1. hangen, ophangen;
2. hangen.
Hannibal, «. Hannibal, (de
beroemdste Carthaagsche