Boekgegevens
Titel: Engelsch leesboek voor eerstbeginnende, benevens een woordenboekje
Auteur: Gedike, Friedrich; Bomhoff, Derk
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1840
5e verb. dr.
Opmerking: Vert. van: Englisches Lesebuch für Anfänger, nebst Wörterbuch und Sprachlehre. - 1795
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4085
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200628
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsch leesboek voor eerstbeginnende, benevens een woordenboekje
Vorige scan Volgende scanScanned page
218
F.
Tair, adv. sacht, gelaten;
softuiid fair , zacht, zacht l
ïaith, 6. \ . geloof trouw \
3. ( vcrzekerendervnjzc:)
op mijn woord van eer;
4. helojte y gegeven tooord;
I have given nty faith, ik
heb mijn woord gegeten.
Faithful, adj. 1. iroutc; 2.
geloovig.
Faithfully, adv. getrouw,
Falerii , 8. naam van de
hoofdstad der JFaliskers
in Etrurië,
Faliöci , 8. pl. Faliskera ,
{een volk nabij het oude
Home).
Fall, 8. val y vallen.
to Fall, (imp. 1 fell, part,
fallen), t. a. 1. vallen,
zinken; to fall on£>ƒupon,
op iets aanvallen , aan-
grijpen ; ook: van iets
komen ie spreken; 2, in
den eenen of anderen toe-
stand geraken; to fall in
love with , op iemand
verliefd worden; 3. be-
ginnen; he fell a weeping,
hij begon te wcenen; 4.
sneuvelen; 5. te gronde
gaan, ongelukkig worden.
False, adj. valsch.
Falsehood, s. valschheid.
Falseness, s. valschheid.
Fame , s. roem , faam.
Familiar, adj. gemeenzaam.
Familiarity, s. gemeenzaam-
heid.
Familiarly, adv. gemeenzaam.
Family, s. 1. fajnilie; 2.
huia^ouding.
Family-affairs, s. pi. huise-
lijke zaken.
Famous, adj» beroemd, be-
rucht.
Fanatical, adj. dweepachtig.
Fancy, 8. verbeelding.
to Fancy, v. ii. zich ver-
beelden.
Fantastic, adj. hersenschim^
mig, grillig, avontuurlijk.
Far, adj. etadv. wijd, ver-,
as far as, tot aan.
Fare, s. spijs, kost.
to Fare , v. n. 1. gaan ,
reizen, wandelen', 2. zich
in eenen zekeren toestand
bevinden-, to fnre ill, een
slecht lot hebben.
Farewell, adv. vaarwel.
Farm , s. landhoeve.
to Farm, v. a. 1. verpach-
ten; 2. pachten.
Farmer, s. pachter.
Farming-business, 8. land-
leven , akkerbouw.
Farther, adj, et adv. ver-
der , v'Ajder,
Fashion, s. I. manier, mo-
de; 2. hooge stand; wo-
man of fashion , vrouw
van staat,
to Fashion, v. a. vormen,
eene zekere gedaaniegeven.
Fast, adj. vaardig, snel.
Fast, adv. vast-, fast-a-sleep,
in diepen slaap.
to Fasten, v. a. bevestigen.
Fat, s. et adj. vet.
Fatal , adj. ongelukkig ,
noodlottig.
Fatality, s. noodlottigheid,
otigeluk.
Fate, s. lot.
Father, s. 1. vader; 2.
biechtvader, pater.
Father-in-law , «. schoon-
vader.
Fatigue, s. 1. vermoeijenis,
vermoeidheid; 2. arbeid,
inspanning.