Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
mede uit den aard van hun beroep belast waren, om het lijk met warm
water te wasschen. Ze balsemden het en trokken het de kleederen aan,
die de overledene volgens zijnen stand gerechtigd was geweest te dragen.
Nadat dit alles was verricht, plaatste men het lijk op een praalbed in
het hoofdvertrek van het huis. Naast het bed zette men eene schaal met
wierook en voor de deur werd een cypres geplant. Ge begrijpt, dat bij
arme menschen de zaak veel eenvoudiger toeging. Wanneer het lijk zoo
zeven dagen had gestaan, bracht men het naar de begraafplaats. Dat
geschiedde met groote praal. De begrafenisstoet vormde een heelen
optocht. Vooraan gingen muzikanten, dan volgden gehuurde vrouwen,
die klaagliederen zongen. Dikwijls trof men er tooneelspelers bij aan,
die tooneelen uit het leven van den overledene voorstelden en die niet
zelden grappen verkochten, welke nogal in strijd waren met den ernst
van het oogenblik. Als de stoet op het Forum was aangekomen, be-
klom een der vrienden of bloedverwanten het spreekgestoelte en hield
er eene lijkrede. Vervolgens begaf men zich buiten de stad naar de
begraafplaats. Daar werd het lijk op een' brandstapel verbrand, de asch
en de beenderen in eene urn verzameld en deze bijgezet in het graf,
dat niet zelden een pronkstuk was van beeldhouwkunst. Binnen de stad
mocht geen lijk verbrand of begraven worden. Want ge moet weten,
dat er ook enkele familiën waren, die hunne dooden niet verbrandden
maar begroeven. De begraafplaatsen van de Romeinsche steden waren
dan ook in den regel buiten de poorten der stad en de monumenten
der dooden verhieven zich aan weerszijden van den weg. Zoo stelt
het prentje in deze les de doodenstraat voor van de stad Pompeji,
waarvan ik u straks nog meer wil vertellen. De minder gegoeden hadden
niet altijd een eigen graf; maar voor hen waren gebouwen, waarin ieder
zich eene nis kon koopen tot het plaatsen eener urn. Welke kolossale
gedenkteekenen sommige keizers op hunne laatste rustplaats lieten
stichten, heb ik u reeds medegedeeld.