Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
kunstwerken daartoe volkomen geschikt hebben gemaakt. De grootste
kom is de havenplaats, waar wij geland zijn en die de Atheners den
Piraeus noemen. Op den oever verheft zich eene geheele voorstad.
Allerlei gebouwen, welker bestemming met den handel en de scheepvaart
in verband staat, onderanderen een lange overdekte zuilengang, waar
de kooplieden, als 't ware evenals in onze beurzen, met elkander
kunnen onderhandelen, omringen de haven. Eene menigte schepen zijn
aan den wal vastgemaakt. We vertoeven evenwel niet langer dan noodig
is en begeven ons op weg naar de stad. Daarheen voert een breede
weg, die aan beide zijden door versterkte muren wordt begrensd, 't Is
nog vroeg in den morgen, maar reeds begint het levendig te worden,
en weldra zal eene bedrijvige menigte zich van de stad naar de haven
en van de haven naar de stad heen en weer bewegen.
We zijn er. We treden Athene binnen. De straten zijn over 't geheel
niet breed; nu eens rijzen ze, dan weer voeren ze van eene hoogte
naar beneden. We wandelen voort tusschen de huizen, die er zeer
eenvoudig en naar onze begrippen vrij onaanzienlijk uitzien, 't Schijnt,
dat de Grieken hunne kunst en hunnen smaak verspild hebben aan
hunne openbare gebouwen, zoodat er voor de woonhuizen niets is
overgebleven. Als we straks een dier gebouwen binnentreden, zullen
we er misschien wel wat gunstiger over oordeelen. Vóór de meeste
huizen vallen ons beelden in het oog, die bestaan uit een vierkant
onderstel met een hoofd erop. Dat zijn beelden die eene godheid
der Atheners voorstellen, Hermes, — Mercurius, zooals de Ro-
meinen zeiden.
't Wordt meer en meer levendig in de straten. Landlieden met de
voortbrengselen van hunnen akker trekken de stad binnen en begeven
zich naar de markt. En ook de stadbewoners zeiven beginnen zich te
vertoonen. Want in huis houdt een echt Athener het niet gemakkelijk
uit. Hij leeft op straat, om zoo te zeggen. Hier zien we een groepje
slavinnen, die met sierlijke vazen naar eene bron gaan, om ze
met water te vullen; daar bemerken we eenige kleine jongens, die
zich naar school spoeden, sommige vergezeld van een' slaaf, die hun
schrijfgereedschap draagt. Iets verder ontmoeten we eene menigte hand-
werkslieden , die zich aan den arbeid begeven. Eindelijk komen we op