Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
en brokken zijn overgebleven. Als we spreken van den Acropolis,
dan bedoelen we daarmede den burcht, de citadel zouden we
tegenwoordig zeggen. Dat was eene steile rots. Aan den voet breidde
zich de schoone hoofdstad van Attica uit, welker bewoners meer nog
dan de andere Grieken uitmuntten door hunnen zin voor het schoone
en door hunnen geest, zoodat men nog zegt van iemand, die in zijne
gesprekken geestige gezegden weet te vlechten, dat hij ze „kruidt
met Attisch zout."
Toen de Perzen in het jaar 480 v. Chr. verwoestend het land der
Grieken binnendrongen en ook Attica afstroopten, vernielden ze de
tempels, die zich op den burcht verhieven en de muren, die hem ver-
dedigden. Schooner dan te voren evenwel werden ze herbouwd, toen
Perikles (t 429), onder wiens bestuur Athene zijn hoogsten bloei
bereikte, het bewind voerde. Zijn doel was, van de stad het middel-
punt te maken van Grieksche kunst en wetenschap.
Wanneer men den weg, die aan de westzijde naar boven voerde en
«lie voor een groot deel met marmeren platen was geplaveid, had af-
gelegd , en de vestingmuren, die den ganschen burcht omgaven, bereikt
had, kwam men door eene zuilenrij in het binnenste van de vesting,
op het bovenvlak van de rots, dat eenen vrij grooten omvang had en
waarop zich de prachtwerken verhieven, welker overblijfselen nu nog
den reiziger met bewondering vervullen.
Die zuilenrij, welke naar het inwendige van den burcht leidde, was
zelve een van de schoonste gewrochten der Grieksche bouwkunst. De
voorzijde werd gevormd door zes sierlijke marmeren kolommen, die een
spits toeloopend geveldak droegen en die toegang gaven tot een breede
gang, die vijftig voet diep was en welker dak, eveneens van wit marmer,
ter weerszijden werd gedragen door drie slanke en keurig bewerkte zuilen.
Door die gang kwam men weder in eene ruimte, gelijk aan die van de
voorzijde en vervolgens op het bovenvlak van den burcht. Door groote
bronzen deuren kon de toegang worden afgesloten. Links van den ingang
der Propyleen —■ zoo noemt men de zuilengang — ziet ge een
kleiner gebouwtje zich verheffen. Dat was een soort van museum, waarin
de schoone schilderstukken van Polygnotus, een beroemd tijgenoot
van Perikles, bewaard werden.