Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
aan hunnen vorm den naam „spijkerschrift" of „wigschrift" te danken
hebben. Het zijn juist die opschriften op de Perzische gedenkteekenen,
welke de koningen van het machtige rijk ten gerieve hunner verschil-
lende onderdanen in verschillende talen hadden laten opstellen, die aan
scherpzinnige geleerden in onzen tijd den sleutel geleverd hebben tot het
ontcijferen van het aanvankelijk zoo geheimzinnige Babylonische schrift.
Wij hebben reeds de opmerking kunnen maken, dat alle volken der
Oudheid, die wij tot nu toe leerden kennen, in het bezit waren van
het onschatbare middel om hunne gedachten in beeld of teeken weer
te geven en voor de nakomelingschap te bewaren. Waar het schrift
zijnen oorsprong genomen heeft, in de vlakte van Eufraat en Tigris
of in het dal van den Nijl, schijnt vooralsnog niet met volkomen
zekerheid uitgemaakt. Wel zeker is echter, dat het letterschrift, zooals
wij het kennen en gebruiken, — ieder teeken stelt daarbij eenen enkel-
voudigen letterklank voor en niet een begrip of een groep van klan-
ken, gelijk zulks in den regel het geval was bij de Egyptenaren en
Babyloniërs —, zooal niet uitgevonden, dan toch algemeen verspreid
is door de Phoeniciërs en dat hoogst waarschijnlijk de meeste nieuwere
alphabets afstammen van het hunne.
10 IN GRIEKENLAND.
In het noordoosten van het schiereiland Morea, dat de Ouden met
den naam Peloponnesus aanduidden, ligt een klein stadje Argos.
Ten noorden daarvan strekt zich eene eentonige vlakte uit, waar slechts
hier en daar een enkele boom den wandelaar nauwelijks eenige schaduw
aanbiedt. Wanneer we van Argos uit den weg volgen, die naar de
landengte van Korinthe leidt, bemerken we weldra aan onze rech-
terhand een paar bergtoppen, die zich uit de vlakte verheffen. Ter
halverhoogte tusschen deze twee bergen bevindt zich een heuvel, die
naar voren uitspringt en die trapsgewijze naar de vlakte afdaalt. Wanneer
we dien heuvel bekümmen en de blikken rondom ons werpen, komen
we weldra tot de overtuiging, dat op deze plaats eenmaal eene stad