Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
bracht, om er planten en boomen wortel te doen schieten. De tuinen
liepen terrasgewijze naar de rivier af en zullen zeker in de verte een
heerlijk gezicht opgeleverd hebben. Overblijfselen van de muren, waarop
zij rustten, meent men nog gevonden te hebben.
In 't begin van onze jaartelling was Babyion al erg vervallen; in
de 4e eeuw na Chr. was het verdwenen, en de plek, waar het gestaan
had, woest en door wilde dieren bewoond.
10. HET RIJK DER PERZEN.
We zagen in de vorige les, dat het trotsche Babyion niettegen-
staande zijne macht en zijne grootheid in de 6e eeuw vóór Christus,
gelijk de meeste landen van zuidwestelijk Azie, bezweek voor de aan-
vallen van het toenmaals snel in aanzien toenemende rijk der Perzen,
welks grondlegger Cyriis de weelderige stad aan den Eufraat veroverde
en tot eene der hoofdsteden van zijn gebied maakte, dat zich weldra
tot in Afrika en Europa uitstrekte. Die Perzen bewoonden met ver-
schillende stamverwante volken de uitgestrekte landstreek, welke ten
zuiden begrensd wordt door de Perzische golf, ten noorden door de
steppen om het Aralmeer, ten westen door het dal van Eufraat en
Tigris, ten oosten door de bergketenen, welke de vlakte van den
Indus bepalen. Dit gebied is grootendeels een bergland; het helt af
naar het midden en daarheen stroomen dus de wateren, welke op de
randgebergten ontspringen. Deze wateren echter loopen dood in de
zandvlakten of monden uit in steppenmeren; zoo behoudt het binnen-
land het voorkomen eener dorre, boomlooze woestijn, welke slechts
door enkele grasrijke oasen en schaarsche vruchtbare plekken wordt
afgebroken. Aan de kanten tegen de helling der bergen vindt men
weiden. Het westelijk randgebergte heeft vruchtbare dalen, die een
weelderiger plantengroei vertoonen, naarmate zij zich meer zuidwaarts
uitstrekken. Het noordelijk hoogland aan den oever der Kaspische
Zee biedt groote tegenstellingen aan: daar vereenigen zich alle voor-
deden eener zuidelijke natuur met de nadeelen van een ruw bergland-