Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
nauwe gang. Deze gang leidt naar de grafkamers, die deels onder, deels
boven den beganen grond liggen.
In de nabijheid van de groote pyramiden van Giseh ontmoeten, we
nog een ander merkwaardig voortbrengsel van de oud-Egyptische
kunst. Het is een reusachtige sphinx. Sphinxen waren kolossale beel-
den, die uit één rotsblok vervaardigd waren. In den regel hadden ze
het lichaam van een' leeuw en het hoofd van een' mensch. Het beeld,
dat onze plaat voorstelt, is het grootste van dien aard in geheel Egypte.
Alleen het hoofd verheft zich daar boven de vlakte; het lichaam,
dat eene lengte van bijna zestig meter beslaat, is voor het grootste deel
onder het woestijnzand bedolven. In onze dagen evenwel heeft men
ook het lichaam- van deze beroemde sphinx ontdaan van het zand,
waarin het verzonken lag.
Bijna alle monumenten der Egyptenaren zijn bedekt men schilder-
werk en met opschriften. Uit de schilderingen heeft men vele bijzon-
derheden kunnen opmaken aangaande de gewoonten en de levenswijze
van dat volk. Hoe ze oorlog voerden, hoe ze hunne akkers bebouwden,
hoe ze hunne gebouwen tot stand brachten, hoe ze leefden en wat er
na hunnen dood met hen gebeurde, dat alles hebben ze in beeld gebracht.
Wat de opschriften betreft, men heeft er nogal wat hoofdbreken
mee gehad, vóór men zoo tamelijk wel begreep, wat ze eigenlijk
beduidden. Men noemt de figuren, waarmede de meeste monumenten
bedekt zijn, hiöroglyphen. Er waren ook nog eenvoudiger schrift-
teekens voor het schrijven der boeken en voor het dagelijksch gebruik
(hieratisch en demotisch schrift). De hiöroglyphen waren over
't geheel geene letters in den eigenlijken zin van 't woord. Dikwijls
waren het figuren, die een bepaald begrip aanduidden. Zoo werd
de zon bijv. aangewezen door het teeken O en het water door een
paar golvende lijntjes boven elkander Maar in vele gevallen
stelden ze ook letterklanken voor, welke bijzonderheid de ontcijfering
natuurlijk nog niet gemakkelijker maakte. Toch zijn de geleerden er in
geslaagd. Toen generaal Bonaparte, later keizer Napoleon, in
1798 zijn' beroemden tocht naar Egypte ondernam, vond men te
Rosette, eene plaats aan de monden van den Nijl, eenen steen met
eenige opschriften. Daaronder was er één in hieroglyphen en een