Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
5. HET LAND DER ZWARTE AARDE.
Men kent den mensch aan hetgeen hij voortbrengt. In zijne geschriften,
in zijne liederen, in zijne bouwwerken en schilderstukken geeft hij al
zijne eigenaardigheden, zijne geliefkoosde gedachten terug. En met een
geheel volk is het evenzoo. Wanneer men zich er een weinig op toelegt,
kan men in de meeste gevallen gemakkelijk uitmakeii, of een of ander
oud gebouw door Grieken of Romeinen, door Indiërs of Egyptenaren
is opgetrokken. Ja, de meeste gewrochten der bouwkunst dragen zelfs
de sporen van den tijd, waarin ze zijn vervaardigd. Want ook ieder
tijdvak heeft zijne eigene manier. En evenals men spreekt van den bij-
zonderen stijl van dezen of genen schrijver, zegt men ook, dat een of
ander monument in dezen of genen eigenaardigen stijl is gebouwd.
De tempelvoorhof, dien het plaatje in deze les ons te aanschouwen
geeft, is een voortbrengsel van de bouwkunst der oude Egyptenaren.
Dat was een zeer merkwaardig volk. Merkwaardig vooral ook, omdat
het reeds in de hooge oudheid eene groote mate van ontwikkeling en
beschaving bezat. Yeertig, vijftig eeuwen voor Christus al en waar-
schijnlijk nog vroeger woonde dit volk in het vruchtbare Nijldal en
vormde er eenen geregelden staat.
Dat de oudste sporen van beschaving voorkomen in streken, die door
machtige rivieren besproeid worden, — de Hindoes woonden immers
aan de oevers van den Ganges —, moet ons niet bevreemden. Voor
Egypte althans was de Nijl alles. Ten oosten begrensd door een' zoom
van rotsen, die het van de Roode Zee scheiden, ten westen bepaald
door een minder hoog rotsplateau, dat de overgang uitmaakt tot de
groote woestijn, strekt het Nijldal, het land der „zwarte aarde",
zooals de bewoners zeiven het noemden, zich uit van het zuiden
naar het noorden tot de monden der rivier, die zich veelvuldig
vertakken en die de vruchtbare Delta vormen, eens de korenschuur
der oude wereld. Slechts de geregelde overstroomingen van den Nijl,
die van Juli tot October buiten zijne oevers treedt en welks wateren
door een net van kanalen tot zelfs over de meest verwijderde akkers
worden gevoerd, schenken den bodem eene vruchtbaarheid, welke