Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
4. I N D I E.
In overoude tijden — men zegt wel al dertig eeuwen vóór onze
jaartelling — trok een deel van de bevolking, die de hoogvlakte van
Pamlr bewoonde, naar het zuiden. Door de bergpassen van den
Hindoe-Koh kwamen ze in het stroomgebied van den Indus, in
de vruchtbare vlakte, die door vijf rivieren wordt besproeid en die
daarom ook den naam draagt van Vijf-stroomenland (Pendsjab).
Hindoes noemt men ze gewoonlijk. Daar leefden ze, in verschei-
dene stammen verdeeld, van de opbrengst hunner kudden en van den
oogst hunner akkers; ze vereerden er hunne goden, de verpersoonlijkte
natuurkrachten, door offers en liederen en oefenden zich in den strijd,
wanneer de eendracht tusschen de verschillende stammen door de eene
of andere oorzaak verbroken werd. De zangers en dichters van de
heilige liederen, waarvan er vele bewaard zijn gebleven in de gods-
dienstige boeken der Indiërs, die men de Veda's noemt, heetten
Brahmanen.
Dat men die heilige boeken der Hindoes kent en dat men ze lezen
kan, is eene zaak van groot belang. De taal, waarin ze geschreven
zijn, — die boeken zijn eerst later ontstaan en de zangen leefden
oorspronkelijk door mondelinge overlevering voort —, is eene doode
taal: ze wordt niet meer gesproken. Men noemt haar het Sanskriet.
Nu is het vooral door het bestudeeren van dat Sanskriet, dat men tot
de overtuiging is gekomen, dat zoovele volken van Europa en enkele
volken van Azië na aan elkander verwant moeten zijn. Want de
schoone en rijke taal, waarin de Hindoes hunne oude boeken hebben
opgesteld, vertoont in vele opzichten eene merkwaardige overeenkomst
met die van al de volkstammen, welke we in eene vorige les met den
naam Indo-Germanen hebben genoemd.
Toen de Hindoes verscheidene eeuwen aan de oevers van den Indus
gewoond hadden, begonnen ze zich te verspreider^ in de vlakte, die
zich uitbreidt aan weerszijden van eenen anderen machtigen stroom,
den Ganges, die zijne wateren voortstuwt van het westen naar het
oosten. Daar stieten ze evenwel op tegenstand; want het Indische