Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
2. STEEN, BRONS, IJZER.
De gereedschappen en de overige voorwerpen, die men in de paal-
woningen gevonden heeft, waren niet alle van dezelfde stof vervaardigd :
sommige waren van steen, andere van brons en van ijzer. Daaruit
wilden we afleiden, dat ze niet alle uit denzelfden tijd afkomstig zijn.
Laat ons zien, hoe het daarmede staat.
De aarde vertelt ons, dat er menschen in ons werelddeel moeten
gewoond hebben vóór de paalbewoners. Want deze laatsten hadden
eenen zekeren trap van ontwikkeling bereikt, welke nog gemist wordt
bij de vertegenwoordigers van die nog oudere bevolking, waarvan men
hier en daar sporen heeft gevonden. Menschen zonder beschaving,
dat wil zeggen menschen, die 't gebruik van het vuur niet kenden,
die geen gereedschap konden vervaardigen, daarvan heeft men tot nu
toe niets ontdekt.
Dat pleit alweer voor den hoogen ouderdom van ons geslacht. Want
met de beschaving gaat het in den regel niet zoo snel. Er is vrij wat
water naar de zee gevloeid, vóór we zoo ver waren, als we nu zijn.
En van den toestand van een mensch zonder de minste ontwikkeling
tut dien van een wezen, dat zijn vaatwerk vervaardigt, dat zijne wapenen,
hoe onvolkomen dan ook, weet te maken, dat zich gereedschappen
verschaft, is eene groote schrede. Getuigen alle vondsten, die men tot
hiertoe gedaan heeft, dus van eene zekere beschaving, al is ze ook gering,
dan mag men ook veronderstellen, dat er nog lang vóór de wezens,
voor wier bestaan men bewijzen bezit, andere menschen geleefd hebben.
En nu ... wat men gevonden heeft. Vooreerst in holen, in Frankrijk
en België vooral, maar ook wel in andere landen van ons werelddeel,
beenderen van menschen, in gezelschap van overblijfselen van dieren,
die tegenwoordig óf niet meer bestaan, zooals de holenbeer en de mam-
mouth, óf niet meer leven in de streken, waar ze toenmaals zich
ophielden, als het rendier en de oeros. Vervolgens, het eerst in
Denemarken, later ook in verscheidene andere landen, heele stapels
overblijfselen van maaltijden: oesterschelpen, graten van visschen,
beenderen van vogels en zoogdieren. En bij dat alles gereedschappen.