Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
maatschappij. En daarom — ofschoon deze ook zeer vele eigenaardig-
heden had, waardoor ze zich van die der oude volken onderscheidde, —
is het, tot recht begrip van wat volgt, bepaald noodig te weten, wat
voorafging. Dat is de reden, waarom we in dit boekje kennis gemaakt
hebben met den ouden tijd. Want de geschiedenis der menschheid is
als een groot gebouw van verschillende verdiepingen: de bovenste
zweeft niet in de lucht, maar rust op de benedenste; was deze niet
eerst gebouwd, gene zou onmogelijk kunnen^bestaan.
Die nieuwere maatschappij, waarvan ik zooeven sprak, hoop ik u
in het tweede deeltje van dit boekje voor oogen te voeren. Maar we
willen dit eerste niet besluiten, zonder een enkelen blik geworpen te
hebben op het volk, dat haar deed ontstaan.]
29. ONDER DE BARBAREN.
We zijn nog niet zoover, als ik u in de vorige les bracht. De ge-
beurtenissen, die ik daar het laatst besprak, zullen eerst plaats hebben
in de viérde en vijfde eeuw van onze jaarteOing. En we willen ons nu
verplaatsen ongeveer in den tijd, waarin die jaartelling aanvangt.
We bevinden ons aan den zoom van een uitgestrekt woud. Knoestige
eiken en hooge beuken slingeren hunne krachtige takken door elkander
en vormen een ondoordringbaar gewelf, waardoor slechts hier en daar
de zon hare stralen tot op den met kruiden en mos bedekten bodem
kan werpen. Voor ons strekt zich de heide uit en daar ginds stroomt
eene heldere beek, aan welker oevers de grond bebouwd is en vruchten
draagt. Dat is een bewijs, dat we ons in de nabijheid van menschen
bevinden.
En waarlijk, als we goed toezien, kunnen we ook menschelijke
woningen ontdekken. Dat zijn echter geene paleizen, zooals we die te
Rome hebben leeren kennen, 't Zijn eenvoudige hutten, van palen en
gevlochten takken opgetrokken en met klei of leem bedekt. We naderen
en bemerken door de opening, die als deur dienst doet, ook leven
daarbinnen. Een troep naakte kinderen kruipt op den grond, te
midden van allerlei huisdieren: kippen, ganzen, varkens. Eene vrouw