Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
106
Ook nadat keizer Constantijn de christelijke leer tot godsdienst
van den staat had gemaakt, bleven de catacomben nog lang de heilige
begraafplaatsen der Christenen, totdat eindelijk overal prachtige kerken
verrezen en de beenderen van de martelaren van hunne onder-
aardsche begraafplaatsen daarheen werden overgebracht.
28. DE ERFGENAMEN VAN ROME.
Er is een deel van Europa geweest, waar de Romeinen met al hunne
macht en niettegenstaande hunne geduchte legers nooit vasten voet
hebben kunnen krijgen. Ik bedoel de streken, die ten noorden van
Rijn en Donau liggen. De hooge toppen der Alpen hadden hen niet
afgeschrikt: ze hadden Gallië onderworpen en zelfs Brittanje bezet.
De overwinnende legioenen hadden hunne adelaars geplant op de bergen
en in de dalen van Zuid-Duitschland; maar al mocht het hun ook
gelukken voor een' korten tijd hunne heerschappij te vestigen aan de
overzijde van de beide hoofdrivieren van Duitschland, die vestiging is
nooit van langen duur geweest. Den Rijn en den Donau kan men
daarom over 't geheel beschouwen als de noordgrens van het Romeinsche
rijk. Vandaar ook dat aan deze beide stroomen nog verschillende steden
liggen, die haren oorsprong verschuldigd zijn aan de Romeinen. Het
waren zoovele vestingen op de grenzen van hun gebied, die het moesten
verdedigen tegen de invallen van de volken aan de overzijde. Wie dat
waren? Barbaren zeiden de Romeinen. Maar zoo noemden zij alle
volken, die niet met de Romeinsche of Grieksche beschaving bekend
waren. In hunnen mond beduidde het woord „barbaar" dus zooveel
als „onbeschaafde vreemdeling." En inderdaad het waren vreemdelingen
voor de Romeinen, die menschen aan de overzijde der rivieren, die
de bosschen en de bergen en de vlakten van Duitschland bewoonden.
Germanen noemt men ze met éénen naam, ofschoon ze in eene groote
menigte stammen en stammetjes verdeeld waren. Waren ze werkelijk
zoo geheel verschillend van de Romeinen ? Ja en neen! In den grond —
en dat heb ik u vroeger al verteld — bestond er familieverwantschap