Boekgegevens
Titel: Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Auteur: Duijl, C.-F. van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3530
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200556
Onderwerp: Geschiedenis: algemene wereldgeschiedenis; geschiedenis van grote gebiedsdelen, bevolkingsgroepen en beschavingsgebieden: algemeen
Trefwoord: Wereldgeschiedenis, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis: een leesboek voor school en huis
Vorige scan Volgende scanScanned page
lOü
26. IX DE STUDEERKAMER.
Men kent den mensch aan zijne daden, 't Kan u niet moeilijk vallen
te begrijpen, wat men met dat gezegde bedoelt. Wanneer ik er nog
bijvoeg: „men kent een mensch aan zijne woorden," dan zult ge ook
wel vatten, wat ik meen. En wat waar is voor den enkelen mensch,
geldt ook voor een geheel volk: aan zijne taal kan men het kennen.
Of zou het toevallig zijn, wanneer de Nederlander en de Engelschman
hunne spreekwoorden ontleenden aan het zeewezen; wanneer de Zwitser
den mond vol heeft van zijne bergen? Zelfs uit de wijze, waarop de
menschen van een bepaald land elkander toespreken bij het groeten,
kan men eenigszins opmaken, hoe ze zijn en wat ze als de voornaamste
zaak van het leven beschouwen. Terwijl de Nederlandér u vraagt, hoe
gij „vaart", zal de Duitscher vragen, hoe ge u „bevindt", en de nijvere
Engelschman, wat ge „doet?" De Grieken zeiden tot elkander: „hebt
ge plezier?" En als een Romein zijnen vriend ontmoette, vroeg hij
hem: „wat doet gij?" — of wel: „hoe krachtig zijt gij?" Daar kan al
eenigszins uit blijken, — we weten het trouwens ook wel van een'
anderen kant —, dat de Romeinen menschen waren van zaken, die het
druk hadden met het behartigen van hunne eigene belangen en die van
den staat. Menschen van zaken zijn in den regel ernstig: dat waren
de Romeinen over 't geheel ook. En met dingen, die geen onmiddellijk
voordeel opleveren, die niet rechtstreeks met zaken in verband staan,
houden zulke lieden zich gewoonlijk liever niet bezig. Ge moet hetgeen
ik daar gezegd heb, nu niet al te letterlijk opnemen; maar zeker is
het, dat de Romeinen er bijvoorbeeld uit zich zei ven minder toe
kwamen, verzen te maken en schoone tooneelstukken te dichten.
Dat hebben ze — om 't maar eens kort te zeggen — van de Grieken
geleerd, die het daarin ver gebracht hadden en die aan de Romeinsche
schrijvers tot voorbeeld dienden. En eerst in de laatste eeuwen van de
republiek en onder het keizerschap werd de liefde voor de dichtkunst
en voor de letterkunde meer algemeen te Rome.
Van hetgeen de Romeinsche schrijvers voortgebracht hebben, is vrij
wat verloren gegaan; maar er is ook veel behouden gebleven, zoodat
men nog in onze dagen kennis kan maken met hunne verzen en hunne