Boekgegevens
Titel: Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: gebr. Binger, 1857
2e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3423
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200544
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
-barley. j Garst.
Oats. Haver.
Lentils. ! Linzeu.
Good. Goed.
Bad, mean. i Slecht, gemeen.
"Wise. Verstandig.
Great. Groot.
Small, little. Klein.
Thick. Dik.
Thin. Dun.
Long. Lang.
Short. Kort.
New. Nieuw.
Old. Oud.
Light. Ligt.
Sweet, Zoet.
Bitter. Bitter.
Dry, Droog.
Damp, wet. Vochtig, nat.
Agreeable. Aangenaam.
Disagreeable. Onaangenaam.
Rich. Rijk.
Poor. Arm.
Skilful. Geschikt, bekwaam.
Unskilful. Ongeschikt.
Satisfied. Tevreden.
Dissatisfied. Ontevreden.
Happy. Gelukkig.
Unhappy. Ongelukkig.
Merry. ! Opgeruimd, vergeni
Sad. ' Bedroefd, treurig.
Joyful, glad. Vrolijk, verblijd.
Virtuous. Deugdzaam.