Boekgegevens
Titel: Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: gebr. Binger, 1857
2e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3423
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200544
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
The ice.
The storm.
The thunder.
A thunder-holt.
The rain-bow.
An earthquake.
The wind.
The fog.
The sand.
A man.
A woman.
A boy.
A girl.
A child.
The children.
An old man.
The father.
The mother.
The grand-father.
The grand-mother.
The son.
The daughter.
A brother. ,
A sister.
The parents.
The family.
An uncle.
The aunt.
A cousin.
A cousin, a niece.
A friend.
The widow.
A servant.
Het ijs.
Het onwcder.
De donder.
Een bliksemstraal.
De regenboog,
Eene aardbeving.
De wind.
De mist (nevel).
Het zand.
Een man.
Eene vrouw.
Een knaap, jongen.
Een meisje.
Een kind.
De kinderen.
Een oud man, grijsaard.
De vader.
De moeder.
De grootvader.
De grootmoeder.
De zoon.
De dochter.
Een broeder.
Eene zuster.
De ouders.
Het gezin, geslacht.
Een oom.
De tante.
Een neef.
Eene nicht.
Een vriend. Eene vriendin.
De weduwe.
Een bediende.