Boekgegevens
Titel: Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: gebr. Binger, 1857
2e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3423
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200544
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
July. j Julij.
August. 1 Augustus.
September. 1 September.
October, October.
November. ! November.
December. ; December.
The days of the week. i De dagen der week.
Sunday. ^ Zondag.
Monday. ( Maandag.
Tuesday. Dingsdag.
Wednesday. 1 Woensdag.
Thursday. ] Donderdag.
Friday. Vrijdag.
Saturday. Zaturdag.
A holiday. i Een feestdag.
A fast-day. 1 Een vastendag.
New-year's-day. 1 Nieuwjaarsdag.
Twelfth-daj. 1 Driekoningen.
Candlemas-day. Lichtmis.
Carnaval (Carnival). Vastenavond.
Ash-wednesday. Asch-Woensdag.
Lent. De vasten, vastentijd.
Lady-day. Maria verkondiging.
Palm-Sunday. Palmzondag.
The holy week. De week voor Paschen.
Maundy-Thursday. Witte Donderdag.
Good-Friday. Goede Vrijdag.
Easter. Paschen.
Ascension-day. Hemelvaartsdag.
Whitsuntide. Pinksteren.
Corpus-Christi-day. Sakramentsdag.
Midsummer-day. Sint Jansdag.
All-Saints-day. Allerheiligen.
Michaelmas. Sint Michael.
Martinmas. Sint Maarten.