Boekgegevens
Titel: Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: gebr. Binger, 1857
2e, herz. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3423
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200544
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Do you speak English? (Spreekt gij Engelsch?) of De nuttigste en noodzakelijkste Engelsch-Nederduitsche gesprekken en zegswijzen
Vorige scan Volgende scanScanned page
97
The invoice.
The balance.
The cash-book.
The ledger.
The counting-house.
The strong-box.
Weights and Measures.
A ton (=r 2340 pds. Engl.)
A hundred-weight (= 112 pds.
Engl.)
A stone (= 14 pds. Engl.)
A pound.
An ounce.
Half an ounce.
A drachm.
A scruple.
A carat.
A grain.
A tun = 240 gallons.
A pipe = 1 20 gallons.
A hogshead = 66 gallons.
A bushel (=8 gallons).
A quart 4 (=:2'/i pds. dist. w.)
A pint 2 (=1 quart).
-A gill 4 (=1 pint).
A fathom (=6 feet).
A yard (=3 feet).
An ell.
A foot.
An inch 12 (=1 foot).
A netherlands ell.
A league (=2V5 engl. miles).
0e factuur, rekening.
De balans; het saldo.
Het kasboek.
Het grootboek.
Het kantoor.
De geldkist.
Oewigte*! en maten.
Eene ton (inhoudsmaat van een
schip).
Een centenaar.
Een steen.
Een pond.
Een ons.
Een lood.
Een drachme.
Een scrupel.
Een karaat.
Een grein; aas.
Eene ton (als vaatwerk).
Eene pijp; een stukvat.
Een okshoofd.
Een schepel.
Een kwart; een vierendeel.
Een pint.
Een maatje; een vierde pint.
Een vadem.
Eene roede.
Eene el.
Een voet.
i Een duim.
Eene nederlandsche el.
Een uur gaans.
9